Plus Roos Schlikker

Echte helden houden zich kalm

Roos Schlikker. Beeld Oof Verschuren

Velden vol bloemetjes. Maiskolven die hun veren opschudden in de wind. Zacht zand dat opstuift als meel bij de bakker. Het landschap oogt onschuldig.

Maar zodra mijn voorband de kasseien raakt, begint de oorlog. Getril boort zich door mijn vullingen, mijn nieren belanden naast mijn oren, mijn polsen beuken. In de berm staan bordjes. Paris-Roubaix. Hier rijden jaarlijks de groten. En hier rijden wij, amateurwielrenners, achter zo’n grote aan.

Mijn vader belde laatst. “Steven Rooks fietst met een ploeg in vier dagen van Parijs naar Rotterdam. Ze hebben te weinig vrouwen. Doe je mee? Stelt niks voor, hoor.” Dus zei ik ja, me niet realiserende dat wielrenners dat altijd zeggen. Stelt niks voor. Waarna het lijden begint. Want wielrennen is een sport vol grootse daden. Bedreven door jongens van het understatement.

Onderweg vraag ik Rooks naar Luik-Bastenaken-Luik. Hoe had hij zich in ’83 voorbereid? Verkende hij het parcours? “Neuh,” mompelt hij. “Ik was er nooit geweest.” Vijftien kilometer voor de finish ontsnapte hij. “Ik had een ploegleider die alleen riep: ‘Gaat goed.’ Nou ja, dat ging ’t ook wel.” Rooks won groots. Hij vertelt het alsof hij verslag doet van een boodschap bij de Appie. Joh. Stelt niks voor.

Deze dagen strekt de streek zich wellustig breed voor ons uit. Tegelijkertijd verkleint onze wereld. Managers, pensionado’s, boekhouders, we ploegen voort. Gesprekken beperken zich tot gemiddeldes, stijgingspercentages, bandenpech. Alfamannetjes rossen elke berg uptempo naar boven. Maar Rooks laat zijn benen relaxed draaien. Echte helden houden zich kalm.

De avond voor de laatste tocht breekt aan. We staan aan de bar. “Ongelofelijk dat hij morgen meerijdt. Hij is de allerbeste. Ik ben benieuwd wanneer hij komt,” zegt mijn vader opgewonden. Pal naast hem kijkt een mannetje met grote bril verweesd om zich heen. “Pap. Ik geloof dat hij er al is.”

Joop Zoetemelk eet die avond mee. De één na de ander roemt zijn overwinningen. “De grootste wielrenner van Nederland!”, “Winnaar van de Ronde van Spanje!”, “De Tour!”, “Zes keer tweede!”

Hij schokschoudert. “Och. Ik had destijds niet zo door dat het bijzonder was.”

Ik geloof hem meteen. Deze man is niet koket. Deze man is Joop. Iemand die, terwijl zijn aanbidders brullen, na het toetje zijn telefoon pakt. “Kijk eens,” zegt ie zacht. “Reeën. Bij mij in de tuin.” Hij scrollt door. Het ene hertje na het andere vult het scherm, afgewisseld met een enkel ander beeld (“Hier zat ik met Hinault op een tandem”) en een selectie kiekjes van een barbecue (“Heb ik net nieuw, mooi hè?”). Ik durf het voorzichtig te vragen: “Joop? Rijd je morgen in mijn groep mee?”

“Ja hoor. Maar houd je wel een beetje rekening met me, madammeke?” Ik beloof het. Dan komt de organisator hem halen. Ik kijk ze na. Rooks en Zoetemelk. De knieën krom naar buiten. Smalle schouders die ze voortdurend bijna verontschuldigend ophalen. Joh. Stelt niks voor. Vier benen die zo veel reden en wonnen. Ze sloffen naar de bar. Op teenslippers.

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken. Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Reageren? r.schlikker@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden