Natascha van Weezel Beeld Agata Nowicka

Dus zit ik nu in de intercity, acht dagen na mijn vaders dood

Plus Column

Ik sta op station Zuid. Het is druk. De eerste twee treinen laat ik aan me voorbijgaan, omdat ik eindeloos twijfel of ik naar Den Haag Centraal moet of naar Hollands Spoor. Niemand had me verteld dat desoriëntatie een belangrijk onderdeel vormt van rouw.

Als ik eenmaal in de goede trein zit, voelt het alsof ik een marathon heb gelopen. Ik kijk naar buiten en laat het landschap aan me voorbijrazen: de Schipholtunnel, kleurrijke bollenvelden en weilanden met grazende koeien.

In de nis naast me barsten twee Amerikaanse toeristen uit in een hysterisch schatergelach. "Niet aan papa denken," bijt ik mezelf toe, "anders loopt je make-up uit".

Ik ben onderweg naar mijn eerste Vrijheidscollege, een reeks van acht lezingen door het hele land. Toen ik eind vorig jaar voor deze opdracht werd gevraagd, aarzelde ik geen moment. Het leek me een goede manier om uit mijn Amsterdamse bubbel te treden.

Niet veel later hoorde ik dat mijn vader was uitbehandeld.

De colleges kwamen in gevaar. Dit besprak ik met hem, zoals ik zoveel met hem besprak. Zijn antwoord was simpel: "Jouw leven gaat door. Bovendien wil ik dat je een rol blijft spelen in het maatschappelijk debat." Dus zit ik nu in de intercity, acht dagen na mijn vaders dood.

Ik kom aan bij het Vadercentrum - hoe ironisch - in het Haagse Laakkwartier, een buurthuis voor vaders van allerlei nationaliteiten. Aan het plafond hangen roze lampionnen. Een Turkse man speelt een vrolijke melodie op zijn luit.

Ik krijg thee met te veel suiker in mijn hand gedrukt. In de hoek staat een verlepte paastak met daarin gekleurde eitjes. Achter in de zaal spelen buurtvaders een kaartspel. Ze roken zware shag. De andere tafels zitten bomvol Hagenezen. Ze kijken me verwachtingsvol aan. Mijn keel is droog. Kan ik het wel?

"Ga rechtop staan." Het is papa's stem in mijn hoofd. "Kijk de zaal in en spreek!" Het lukt. Mijn tong ontspant. De woorden rollen uit mijn mond.

Na afloop word ik uitgenodigd aan een tafel met Marokkaanse immigranten. Naast een van de mannen zit een klein meisje van een jaar of zes. "Mijn vader nam me ook altijd mee naar dit soort avonden," vertrouw ik haar toe.

Ze kijkt verdrietig en zegt: "Dat is mijn papa niet. Mijn papa is dood." Ik kan mezelf wel voor mijn kop slaan. "Mijn papa is ook dood," fluister ik, "maar misschien kijken onze papa's nu samen vanaf een wolkje naar ons." Er breekt een voorzichtige glimlach door op het gezicht van het meisje. Ze pakt mijn hand en knikt.

Natascha van Weezel (32) is journalist. Elke dinsdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden