Maarten Moll. Beeld Sjoukje Bierma
Maarten Moll.Beeld Sjoukje Bierma

Durven ze wel, die eksters, samen tegen zo’n kleine vogel?

PlusMaarten Moll

Met z’n vieren waren ze, en ze krijsten verschrikkelijk.

Ze hadden een kleine vogel te pakken, speelden ermee, zo leek het.

De kleine vogel, de ornitholoog in mij denkt dat het een mus was, zag kans onder een auto te komen. De vier eksters bleven voor de auto staan, op het fietspad.

Een misrekening, want de mus kwam er aan de andere kant onder vandaan en vloog over de stoep een heg in.

Dat zag ik vroeg in de ochtend toen ik met de honden liep. En ik juichte hardop om de ontsnapping.

Fuckers. En nooit alleen, hè. Met z’n vieren tegen zo’n kleine vogel.

Ik haat eksters.

Jaren geleden. Er was op zolder gepiep en gefladder te horen.

De meiden kwamen in paniek naar beneden.

“Er zit een beest op mijn kamer!”

Ik naar boven.

Onder het bed zigzagde een vogeltje. Het was niet van plan onder het bed vandaan te komen.

Op mijn buik. Vogeltje in de verste hoek. Piepen.

Ik kreeg het beestje toch te pakken, en hield het beestje vast zoals tennisleraar Hubert me had geleerd het racket vast te houden: als een vogeltje dat je in de berm hebt gevonden.

Nooit knijpen.

Ik haalde mijn arm onder het bed vandaan. Een mees, ik denk een koolmees.

“Ik heb ’m!” riep ik.

Voetjes op de trap.

Ze mochten heel voorzichtig met een vinger over het kopje van het vogeltje aaien.

Ik nam het meesje in beide handen en liep ermee naar het open raam.

Gaf het vogeltje z’n vrijheid terug.

Het meesje vloog weg. Ik bleef even kijken.

“Gaat het goed met het vogeltje?” vroegen de meiden.

Ik zag dat vanuit de grote boom tussen ons huis en de flat twee vogels rustig kwamen aanzweven.

Ik zag alleen maar twee scherpe snavels.

De een pikte in het meesje.

De ander pikte in het meesje.

Terwijl het meesje als een aangeschoten helikopter richting aarde bewoog.

De eksters draaiden om het vallende vogeltje en hielden, in een wolk van veertjes, niet op met hun gepik.

“Ja hoor,” zei ik, “het vogeltje is heel lief weggevlogen.”

“Is ie weer veilig bij z’n gezinnetje?”

Blijven liegen nu, blijven liegen.

“Tuurlijk! En hij heeft vast al een lekker wormpje meegenomen.”

De meiden stortten zich weer op hun Barbies.

Ik ging naar beneden, naar buiten, liep het grasveld op.

Op de plek waarvan ik dacht dat het meesje terecht moest zijn gekomen, lagen alleen nog een paar veertjes. Ik vloekte.

Verderop zaten de twee eksters. Ze veegden hun snavels af aan het gras. Ik verwachtte dat ze beide een boertje zouden laten.

Ik gooide een steen naar ze, die ruim over hen heenvloog. Ze bewogen niet eens.

Een van de eksters keek achterom, zijn zwarte ogen op mij gericht.

Ik wist dat hij me in stilte uitlachte.

Maarten Moll schrijft over dagelijkse beslommeringen in de stad. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? m.moll@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden