Patrick Meershoek Beeld Artur Krynicki

Drugs in Amsterdam: de stad is één grote gebruikersruimte

Plus Patrick Meershoek

In zijn Camera Obscura uit 1839 schreef Nicolaas Beets over wat er allemaal in de broekzak van de Hollandse jongen te vinden was: knikkers, stuiters, een spijker, een aangebeten appel, een touwtje, drie centen, een kluit visdeeg, een koperen knoop om heet te maken, een stuk spiegelglas en zo ging het nog even door.

Als je tegenwoordig een ­Hollandse jongen bij zijn enkels optilt en stevig door elkaar schudt, rollen heel andere ­goederen op straat: een dure smartphone, zes lachgaspatronen, een aangebeten psycho­actieve truffel, het visitekaartje van een vertrouwde snorder, een handje uppers en downers en een paar condooms voor het ­geval dat.

In het Amsterdam van nu zijn drugs de gewoonste zaak van de wereld, en dat is best bijzonder. Nog maar vijftig jaar geleden was het gebruik van verdovende en stimulerende middelen voorbehouden aan een kleine groep artistiekelingen, avonturiers en niksnutten, en sprak de rest van de stad daar hoofdschuddend en luidkeels schande van.

Een halve eeuw later zijn drugs gemeengoed geworden, verboden maar moeiteloos verkrijgbaar. De toeristen in de coffeeshops, de bankiers en advocaten op de Zuidas, de jongeren op de hangplek, de architecten en schrijvers voor hun deadline, de dansende menigten op de festivals: feitelijk is Amsterdam één grote gebruikersruimte.

De producenten en leveranciers spinnen er garen bij. Het Productschap Drugs brengt geen jaarverslagen uit, maar de omzet moet in de vele tientallen miljarden lopen. Ter vergelijking: de gemeente Amsterdam heeft elk jaar vijf miljard te ­besteden aan veiligheid, onderwijs, cultuur, reiniging, uit­keringen en alle andere beleidsterreinen.

Hoeveel van dat geld blijft in de stad hangen? Een kwart, een derde, een tiende? Het is hoe dan ook verschrikkelijk veel. En wat gebeurt daarmee? De tijd is voorbij dat de hardwerkende ­crimineel tevreden was met een duur klokje, een snelle auto en voldoende geld op zak om in de kroeg een rondje te kunnen ­geven.

De moderne crimineel wil niet in de kroeg zitten, hij wil er een hébben. Uit onderzoek naar afgegeven vergunningen voor nieuwe horeca in de stad bleek vorig jaar dat de helft van alle ­zaken werd gefinancierd met geld dat niet van de bank afkomstig was. Dat geldt als aanwijzing voor geld met een luchtje.

En verder? Een skybox en veel vastgoed, gok ik. Aangekocht via een vriend van een vriend van een vriend, op een manier die de herkomst van het geld volledig aan het oog onttrekt. Dat is ook een voordeel van veel geld: je kunt er goede juridische adviezen mee kopen, en de ­beste ­financiële constructies.

En goodwill. Het wachten is op de eerste drugscrimineel die geld beschikbaar stelt voor de kinderboerderij, de buurtbus of een uitje voor eenzame ouderen. Of voor een klaterende fontein op het plein met een bordje: bij elkaar geslikt en gesnoven door de blije bewoners van de ­binnenstad, opgehoest door hun leverancier.

Reageren? patrick@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden