Beeld Artur Krynicki

Door naar Chateau Meiland te kijken heb ik verstand van styling

Nico Dijkshoorn

Ik kijk naar Chateau Meiland. Niet een beetje, maar gulzig. Ik ben verslaafd geraakt aan de eindeloze herhaling van handelingen. Dat is niet nieuw. In de jaren tachtig werden er ’s nachts urenlang beelden getoond van Noord-Holland. Er werd een camera boven op een auto gemonteerd en daarna lieten ze zien hoe die auto kriskras door de provincie reed.

Ik zat op de bank en zei hardop: “Als hij hier rechtsaf gaat dan zit daar een heel leuk bakkertje. Daar heb ik ooit wat gekocht.” Nu ik het zo opschrijf begrijp ik wat ik in dat programma zocht en vond: mezelf. Het zal eens niet.

Al die molens, bruggetjes en kerkjes boeiden me geen reet. Ik zat urenlang te wachten tot de auto ergens voorbijreed waar ik zelf ooit was geweest. Dan bestond ik blijkbaar. Als het een ziekte is, dan zou ik het voyeuristisch narcisme willen noemen.

Chateau Meiland geeft mij hetzelfde. Wanneer het gezin Meiland naar een Franse brocante rijdt om een tafel te kopen waar zes mensen aan zijn gestorven, dan denk ik: let op, die wordt weer belazerd door die Fransfuckers.

Zoals ik zelf altijd werd belazerd door Fransen.

Als ik op een Franse markt een stukje geitenkaas ter grootte van mijn oog kocht bleek ik, na thuiskomst, ongeveer de borgsom voor een vakantiehuis te hebben betaald.

Maar er is nog iets. Ik kijk naar Martien Meiland, zie hem langs Frans antiek scharrelen en denk: ik zou dat goud geverfde hertengewei kopen. Dat combineert leuk met dat droogboeket in de blauw geverfde kamer.

Fransenhaat, daar kan ik goed mee leven, maar dat ik – door naar Chateau Meiland te ­kijken – nu ook opeens verstand denk te hebben van styling, baart me zorgen. Het moet geruisloos in mijn lichaam zijn geslopen. Heel erg blij ben ik er niet mee.

Een jaar geleden liep ik over straat en dan dacht ik: ik eet vanavond Surinaams. Dat was prettig. Nu loop ik naar het station, zie een oude badeend naast een vuilnisbak liggen en denk: roze verven, hoedje opdoen, tegen een gipsplaat spijkeren, wilgentakjes eromheen en dan heel groot het woord KWAK eronder, énig voor in de masterbedroom.

Die ik helemaal niet heb. Zo erg is het dus al. Ik ben in mijn hoofd permanent een huis aan het decoreren dat helemaal niet bestaat. Gisteren liep ik langs een man met een wandelstok. Ik dacht: in stukjes zagen, terracotta schilderen, in een glazen potje doen en dan onder dat schilderij zetten van die aangeklede jachthonden.

Nico Dijkshoorn schrijft twee keer per week een column voor Het Parool, en spreekt zijn bijdragen ook in.

Reageren? n.dijkshoorn@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden