Massih Hutak. Beeld Artur Krynicki

Door de liefde voor hiphop zagen we Parijs als tweede hometown

Plus Massih Hutak

Op de middel­bare school had onze vriendengroep een fijne traditie opgebouwd. Elke vrijdagavond kwamen we ­samen bij Kerem en sloten we ons op in zijn kamer, waar door ruimtegebrek de meesten van ons op de grond zaten. Ik sloeg massaal chips, koek en frisdrank in en er werd met de ramen dicht de ene na de andere toeter gerookt. Ik sluit met de kennis van vandaag niet uit dat ik meermaals contacthigh ben geweest.

Als er eenmaal genoeg ­gesnackt en gerookt was, zetten we muziek en films op. Altijd iets wat met Parijs te maken had. We waren namelijk allemaal aangestoken door meneer ­Matthieu, onze leraar Frans. Hij was een jongeman met roots in Sierra Leone die ons in de klas rapmuziek van Booba liet horen en films als Amélie en La Haine liet zien. Hij vertelde bevlogen over zijn liefde voor Parijs en specifiek voor het Louvre. En dat als we ooit onze rijbewijzen zouden halen, we minstens één keer met de auto naar Parijs moesten gaan. En dan de Mona ­Lisa moesten bezoeken. En de Sacré-Coeur. En ver moesten blijven van de buitenwijken. ­Onze gedeelde liefde voor de Frans-Algerijnse voetbalvedette Zinédine Zidane maakte de band voor altijd onbreekbaar.

Die avonden maakten we kennis met films als Irreversible, ­L’instinct de mort, Un Prophète, ­Indigènes en Martyrs. Ondertussen fantaseerden we over die roadtrip naar Parijs. Dus toen ik mijn rijbewijs haalde en m’n allereerste auto kocht, een groene Peugeot 306 Roland Garros, deden we precies dat.

Onderweg luisterden Kerem en ik naar ons eigen nummer Chapeau, dat ik half in het ­Nederlands en half in het Frans had gerapt. Kerem had Dans le port d’Amsterdam van Jacques Brel gesampled. Emre en ik ­hadden het meteen over onze ‘tweede hometown’. Uiteindelijk waren we ook maar jongens die een plek zochten om thuis te ­kunnen noemen.

Op de terugweg kwamen ­Kerem en ik tot de conclusie dat zowel onze Franse muziek- en filmhelden als hun personages waar wij van waren gaan ­houden, als wijzelf, geen van ­allen in Frankrijk zijn geboren maar wel allen thuis waren in Parijs. Omdat die stad ons doet denken aan onze andere grote liefde: hiphop. Al die kunstenaars waar we naar opkeken, sampleden namelijk stukjes uit hun eigen cultuur en componeerden het lied dat Parijs heet.

Deze vrijdag opent de nieuwe tentoonstelling Migranten in Parijs in het Stedelijk. Maurice Rummens heeft een ontroerend mooie collectie samengesteld van bekende namen als Picasso, Chagall en Mondriaan maar ook van andere helden zoals Baya Mahieddine, Joaquín Torres-Garcìa en Josephine ­Baker.

Ik had de eer om het publieksprogramma vorm te geven. En alsof dat al geen jongensdroom was, mocht ik de laatste zaal naar eigen inzicht inrichten. ­Natuurlijk is dat een zo goed mogelijke weergave van Kerems kamer geworden. Maar vooral een ruimte waar bezoekers zelf antwoord mogen geven op de vraag wat hun thuisgevoel ­bepaalt. Gaat dat zien.

Rapper en schrijver Massih Hutak (26) schrijft columns voor Het Parool.

Reageren? m.hutak@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden