PlusMaarten Moll

Disco op twintig centimeter hoogte, Bep zelf vond het allemaal wel best

Maarten Moll
null Beeld Sjoukje Bierma
Beeld Sjoukje Bierma

Ik kon niet meer slapen en besloot de hond uit te laten.

Het was tien over zes. Een ongewoon vroeg tijdstip om met Bep op pad te gaan.

Buiten was het nog donker, maar het licht begon al langzaam het zwart van de nacht weg te trekken.

Ergens sloeg de motor van een auto steeds af.

Ik hield Bep kort bij me, want hij was in het donker zo goed als onzichtbaar. En ik had een week of wat geleden al eens een aanvaring met iemand gehad in het donker.

Al was het toen avond. Ik stond bij de bankjes waar niet zo heel lang geleden in grote letters ‘Fuck de avondklok!’ op had gestaan. Bep schoot onder een bankje vandaan en werd bijna aangereden door een fietser.

“Hé! Kun je niet uitkijken!” riep de slungelachtige man die op de fiets zat.

Hij reed op de stoep.

Wat zijn regels nog in dit land?

Net toen ik dacht dat de man ook gewoon geschrokken was, dat het allemaal wel meeviel en ik mijn verwensing al had ingeslikt, riep hij nog iets, half over zijn schouder.

“Kankermongool!”

Ik wist niet of hij het tegen mij of tegen de hond had.

‘Sufferd’ of ‘idioot’ volstaat al heel lang niet meer.

Niet lang nadat ik het voorval thuis had verteld, M. had meer met de hond te doen dan met mij, kwam er in ons leven een gebruiksvoorwerp bij.

M. had iets gekocht.

Een lichtgevende halsband.

Voor de veiligheid. Als je op een knopje drukte, gingen er rode lampjes aan en uit. ’s Ochtends en ’s avonds moest die band om.

Ik vroeg Bep om even te gaan zitten (een poging of zes, zeven). Drukte op het knopje van de halsband.

Knipperende lampjes.

Disco op twintig centimeter hoogte.

Bep zelf vond het allemaal wel best. We liepen verder.

Mooi uur, tussen zes en zeven. Het tijdslot van dronken studenten die op de tast hun huis proberen te vinden. Straatschuimers op zoek naar bruikbare spullen. Vroege hardlopers. Zombies.

Beppie was bij de bankjes een paar struiken ingelopen.

Even later sloop een kat op precies dezelfde plek de struiken in.

Ik gokte dat ik maar één hand nodig had.

En ik had de derde vinger nog niet opgestoken, of de kat kwam met een noodgang uit de struiken gerend. Gevolgd door Bep.

“Jezus, wat is dat!” hoorde ik achter me. ”Ik schrik me rot!”

Ik keek om.

Een vrouw stond met een hand op haar hart – er zaten nog een paar kledingstukken tussen – naar Bep te kijken die in het donker als een rode streep richting de brug vloog.

“Dat is een hond,” zei ik.

“Een hond? Ik dacht even dat het een ruimteschip was of zo.”

En er volgde een warrig verhaal over reptielen en resetknoppen en nog veel meer, ik luisterde niet goed want ik keek waar Bep was gebleven, afgesloten met de vraag: “U weet zeker dat het een hond was?”

Ik vond Bep terug, piesend over een molshoop.

Op naar huis. Bep knipperde nog steeds. Het was toch of ik met een kermisattractie over straat liep.

Maarten Moll schrijft over dagelijkse beslommeringen in de stad. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? m.moll@parool.nl.

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden