Opinie

Directeur Holocaustmuseum: ‘Niet meer onder druk reageren op onthullingen’

Anne Frank in 1941. Beeld EPA
Anne Frank in 1941.Beeld EPA

Op de Internationale Herdenkingsdag voor de Holocaust blikt Emile Schrijver terug op het mediacircus en zijn eigen rol rond de onthulling van de veronderstelde verrader van de bewoners van het Achterhuis.

Emile Schrijver

Het is zowel zinvol als raadzaam om terug te kijken op de wijze waarop in de media met de ‘primeur’ is omgegaan, los van de inhoudelijke problemen rond het onderzoek. Mijn eigen rol, als algemeen directeur van onder meer het Nationaal Holocaustmuseum, zal ik ook met de broodnodige introspectie bezien. En het is daarnaast van belang de onafhankelijkheid en de belangen van alle bij de onthulling betrokken partijen te benoemen.

Na de aankondiging van het coldcaseonderzoek in 2017 ging het museum in 2018 een open gesprek aan met de organisatoren om te bezien of er in de toekomst een tentoonstelling zou kunnen worden georganiseerd over de uitkomsten. Ik werd mede daarom meer dan een jaar als lid van een adviserend groepje ‘prominenten’ op de hoogte gehouden van de voortgang en was beschikbaar voor adviezen.

In 2019 kwam aan die rol een einde, toen het onderzoek zijn eigen dynamiek kreeg, de adviseurs niet werkelijk betrokken bleken te worden en ik bovendien de schijn van belangenverstrengeling niet meer kon vermijden. Sindsdien heb ik praktisch niets meer over het onderzoek gehoord, maar wist wel al dat (niet voor het eerst) de mogelijkheid onderzocht werd van een Joodse verrader.

Absoluut niet onder de indruk

Op donderdag 13 januari stuurde de Nederlandse uitgever onder embargo een pdf van het boek ter lezing. Kort daarop volgden verzoeken van de NOS en de Volkskrant om commentaar te geven, dus voorafgaand aan de publicatie en met inachtneming van dat ook door hen geaccepteerde embargo. Na razendsnelle lezing van de 400 bladzijden tekst heb ik op zaterdag de NOS en op zondag de Volkskrant te woord gestaan.

Ik was absoluut niet onder de indruk van het boek, dat vooral een onderzoeksverslag bleek; zonder kritische historische reflectie, met opvallend en verontrustend weinig secundaire bronnen en met een best wel problematische conclusie, waarvoor je heel wat veronderstellingen voor waar moest aannemen. Sterker nog: ik zat een deel van de nacht heftig mopperend op de bank. Maar ik voelde me qualitate qua wel geroepen om in de pers te reageren, in de wetenschap ook dat dat een van de eerste reacties zou zijn.

Tegelijk was er, vooral terugkijkend, sprake van een echt dilemma. Hoe gewogen is je oordeel werkelijk, als je een boek met een dergelijk onderwerp, met zo’n enorme media-aandacht en met zo’n complexe conclusie, een paar uur nadat je het gelezen hebt in de openbare ruimte moet beoordelen? En hoe lastig is het om als eerste scherpe kritiek te uiten, zonder dat je, door het embargo waarmee je akkoord bent gegaan, daarover hebt kunnen overleggen met ter zake kundige collega’s?

Het grote bewijs ontbrak

Ik koos voor voorzichtigheid, van nature, maar ook omdat dit onderwerp niet gebaat is bij polarisatie. Daarnaast vroegen de verschillende interviewers ook expliciet naar goede kanten van het boek, waarbij ik benoemde dat het belangrijk is dat de eerdere verraadtheorieën nog eens bekeken waren.

Naarmate ik vaker aan het woord kwam, op Radio 1 en 2 en bij het NOS Journaal, wist ik steeds preciezer hoe mijn kritiek te formuleren, gesterkt ook door gespecialiseerde onderzoekers, die, om met collega Johannes Houwink ten Cate te spreken, ook vonden dat het grote bewijs voor deze grote beschuldiging ontbrak.

Maar intussen pikten internationale media juist die allereerste voorzichtigheid op. In een kritisch artikel van Nina Siegal in The New York Times heb ik op dinsdag nog een keer uitgelegd waaruit de bezwaren bestonden (ook die krant was net als bijna alle internationale media op maandag nog onbezwaard meegegaan in het ronkende frame van de onthulling). En daarna heb ik bewust geen pers meer te woord gestaan.

‘Beter onze mond houden’

Collega Bart Wallet van de Universiteit van Amsterdam merkte op Twitter terecht op dat dit boek vooral lijdt onder een gebrek aan zogenaamde peer review. Dat is de geanonimiseerde beoordeling van wetenschappelijk werk, voorafgaand aan publicatie, door onafhankelijke collega-onderzoekers. Zo’n soort beoordeling druiste echter in tegen de enorme commerciële belangen van de uitgever en de productiemaatschappij achter het coldcaseteam. Hoe meer media-aandacht, hoe beter.

Tekst gaat verder onder tweet

Ik ben inmiddels zover dat ik hier media – kranten, online media, radio en televisie – dringend oproep niet meer mee te werken aan dit soort door embargo’s gestuurde en gegijzelde publiciteitscampagnes. En aangezochte experts moeten zich ondanks de publicitaire druk, juist als er sprake is van zo’n gevoelige, enorme beschuldiging, niet in de positie laten manoeuvreren waarin ze direct een mening moeten geven.

In plaats daarvan moeten wij de tijd en ruimte nemen om die mening rustig en in samenspraak met andere collega’s te vormen. En als dat niet kan, kunnen we beter onze mond houden. Dat is niet alleen in het belang van de waarheid, maar ook, en misschien nog wel belangrijker, in het belang van een waardige omgang met de nagedachtenis van de acht onderduikers in het Achterhuis, van notaris Arnold van den Bergh en van alle slachtoffers van de Holocaust.

Emile Schrijver (1962) is algemeen directeur van het Joods Cultureel Kwartier en het Nationaal Holocaustmuseum en bijzonder hoogleraar Geschiedenis van het Joodse Boek aan de Universiteit van Amsterdam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden