Thomas Acda. Beeld Artur Krynick

Die zenuwenlijerige buitengymers ook altijd

Plus Thomas Acda

Het is nog vroeg als ik het Vondelpark binnenstuiter. Banden kennelijk iets te hard opgepompt. Het eerste hek was dicht waardoor ik een vreemde bocht moest maken om alsnog het park in te rijden en niet als friet door het gietijzer te gaan. Verrast, maar nog steeds in één stuk, slinger ik verder tot ik bijna bij de opgang naar de Eerste Constantijn Huygensstraat ben. Daar ligt een man in het gras. Dood. Naast hem ligt een enorme kogel met een handvat eraan. Daar is ie mee doodgeslagen, deduceer ik meteen.

Van een bevriende rechercheur heb ik geleerd dat bij moordzaken het slachtoffer in 89 procent van de gevallen gedood wordt door vrienden of familie, en dat de dader er doorgaans gewoon naast zit. Deze hier behoort kennelijk tot de overige 11 procent. Er is alleen die kogel. Het kan zijn dat het zijn lievelingskogel was, maar een vriend lijkt hij me niet.

Ik rij door. Ik hou niet van mannen die doodgeslagen zijn met een zware kogel met een handvat eraan. Ze zijn al dood, maar toch, liever niet. Er ligt ook nooit eens een mooi glimlachend meisje half tegen een rugzak aan een van mijn liedjes te pingelen.

Ik keer toch om en loop met mijn fiets in de hand terug naar de plaats delict, maar in mijn hoofd zie ik het meisje zingen. Ze zingt prachtig! Kijk, daar fiets ik! Ik zing mee en lach. Ze schudt haar schitterende lange bruine haren uit het gezicht. Verbaasd. Wie zingt daar zo perfect tweestemmig mee? Het is hij, ik, de liefde van haar leven! In slow motion staat ze op, ik pak haar hand, help haar achterop en we rijden samen…

“Hé, hellumpie! Kejje ’t zien?” vraagt het lijk.

Mijn droom scheurt in stukken. Het lijk zit rechtop.

“Je leeft!” zeg ik.

“No shit, Sherlock,” gromt hij terwijl hij steunend op het moordwapen omhoog komt.

“Ben jij de instructor?” vraagt hij ineens.

“Instructor? Wat is een instructor?” vraag ik.

“Niet dus. Ik moest me melden bij de onderdoorgang, met mijn eigen kogel, maar er komt helemaal niemand. Nou, moven, jij!”

Ik fiets weg. Die zenuwenlijerige buitengymers ook. Aan de andere kant van de tunnel staat een groepje in gymkleren met die kogels te zwaaien. De instructor staat boos op zijn horloge te kijken.

“Hij komt niet, hij is dood,” zeg ik. Daar gaat mijn geld, zie je hem denken.

“Maakt het uit, joh,” voeg ik eraan toe, “je was toch niet veel geld aan zaalhuur kwijt.”

Heel ver kun je zo’n kogel gelukkig niet gooien.

Thomas Acda (1967) is zanger en acteur. Voor Het Parool beschrijft hij wekelijks zijn observaties van ‘de’ Amsterdammer.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden