Maarten Moll. Beeld Sjoukje Bierma
Maarten Moll.Beeld Sjoukje Bierma

Die woorden van de Sionkerk-voorlichter waren aan me blijven plakken

PlusMaarten Moll

Ik was een kijkmannetje.

Ik keek naar de enorme kraan op de bouwplaats waar gewerkt werd aan het Holocaust Namenmonument. Op de groenstrook tussen de Weesperstraat en de Hoftuin van de Hermitage, het Weesperplantsoen.

Verderop stonden nog twee kijkmannetjes, en twee meter naast me ook een.

De kraan takelde ijzeren palen omhoog. Waarvoor ze dienden was me een raadsel. Een deel van de muren die, als het monument dit jaar wordt onthuld, een labyrint zullen vormen stond er al. De muren zullen bestaan uit ruim 102.00 bakstenen, met op elke baksteen de naam, geboortedatum en de leeftijd van de in de Tweede Wereldoorlog vermoorde Joden, Roma en Sinti.

Ik ging dicht tegen het hek aan staan, maar ik kon op het zichtbare deel van de muur de namen niet lezen. Niet geheel toevallig was ik, op weg naar de binnenstad, hier gestopt.

“De SS handelde vriendelijker in de oorlog.”

Die woorden waren aan me blijven plakken. (Ik dacht toen ik die woorden las meteen aan die foto waarop ‘de laatste Jood van Vinnytsja’ op het punt staat door een SS’er te worden geëxecuteerd.)

Woorden, uitgesproken door de persvoorlichter van de Sionkerk in Urk naar aanleiding van het aanvallen van journalisten aldaar. Al bedoelde hij dat de journalisten de kerkgangers hadden aangevallen. (En vergat hij die ouwe bak van Hans Teeuwen te gebruiken: “Ze hebben het wel altijd over de SS’ers, maar die journalisten…”)

De twee kijkmannetjes waren weer op hun fietsen gestapt en weggereden, maar de man verderop aan het hek stond er nog. Hij haalde een kleine verrekijker uit zijn jaszak.

De families van mijn ouders zijn de oorlog redelijk ongeschonden doorgekomen. Er hoefde op niemand te worden gewacht en niemand is naamloos in een kuil gegooid. Mijn moeder genas van tuberculose, en mijn vader, een jochie van elf, was rond de laatste dagen van de oorlog een paar dagen zoek, tot bleek dat hij met een gebroken been in het ziekenhuis van Almelo lag.

Het tafelzilver werd direct na de bevrijding in de tuin weer opgegraven.

Op de bovenkant van de muren, als ik het goed heb, komen spiegelende, roestvrijstalen objecten in de vorm van vier Hebreeuwse letters die ‘in herinnering aan’ betekenen.

György Konrád zegt in Tuinfeest: ‘Zolang als ik mij kan herinneren heb ik altijd heimelijk vermoed dat mensen zeer kinderachtige wezens zijn.’

Wat heeft zo’n persvoorlichter bezield zo’n kinderlijk stomme uitspraak in de categorie ‘als God bestaat mag hij me nu doodschieten’ te maken? (Dat heb ik als jonge puber tijdens een discussie met mijn oma een keer geroepen. Mijn oma keek me alleen maar glimlachend aan, maar ik begreep pas later dat dat mededogen was.)

Je zou zo’n man toch eeuwig laten dwalen in het labyrint van het Holocaust Namenmonument.

Maarten Moll schrijft over dagelijkse beslommeringen in de stad. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? m.moll@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden