Opinie

Dekolonisatie van Nederlands-Indië: hoe strijdlust omsloeg in schaamte

De dekolonisatie van Nederlands-Indië liep uit op een drama en in Fiasco van goede bedoelingen schrijft John Jansen van Galen hoe dat kwam. Een voorpublicatie over gewijzigde inzichten.

Zeven jaar na de overdracht hielden Papoeajongeren een mars voor onafhankelijkheid naar Den Haag. Beeld ANP

In de ruim zeven jaar tussen 1942 en 1949 heeft zich de dekolonisatie van Indonesië voltrokken. Ik ben er in mijn leven steeds anders over gaan denken. Op het schoolplein zong ik, toen het Nederlandse leger in 1948 de aanval inzette tegen de nationalistische strijdkrachten in Indonesië, luidkeels mee: ‘En wat doen we met Soekarno als-ie komt? We maken er kachel- houtjes van!’ Soekarno was de gehate nationalistische leider, die ons het mooie Insulinde ­wilde afpakken, waarvan een idyllische plaat in de klas hing: een Hollandse soldaat te paard aan de rand van een sawa, met zijn karabijn de Javaanse boer beschermend die er vreedzaam zijn padie plant.

Van onze plaatselijke voetbalclub moesten zeven spelers zich inschepen voor militaire dienst in Indië, onder wie onze puike doelman, en dat jaar degradeerde de club dan ook prompt. Dat was voor mij, geloof ik, nog het ergste gevolg van die strijd in Indië. Ik herinner me de terugkeer van de voetballers: de harmonie speelde in de muziektent. De vreugde werd gedempt doordat een van hen er het leven had gelaten. Toen mijn vader werd afgekeurd voor dienst in Indië, waren we dan ook maar wat blij.

Koloniale oorlog

Toen ik studeerde, werd ik socialist, en knap links ook. Mijn ‘kameraden’ en ik verweten de Partij van de Arbeid dat ze zich onder Willem Drees had laten meeslepen in een koloniale oorlog.

We colporteerden met een fotomontage van premier Jan de Quay en minister Joseph Luns met peniskokers voor, om daarmee hun hardnekkig verzet tegen het overdragen aan Indonesië van Nieuw-Guinea, ons laatste stukje grondgebied in Azië, belachelijk te maken – en hadden niet door dat we zo ook de Papoea’s belachelijk maakten.

Dekolonisatie was toen een leerstuk, een dogma, waarop niet afgedongen mocht worden: Indonesië had dus het volste recht op Nieuw-Guinea. Ik was journalist bij de Haagse Post toen Joop Hueting in 1969 op televisie in het actualiteitenprogramma Achter het Nieuws van de Vara zijn onthullingen deed van Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië. Ik merkte dat ik het eigenlijk liever niet wilde weten: had onze keeper daar ook aan meegedaan?

Gelukkig liet de regering ons weten dat het om ‘excessen’ ging, uitwassen. Maar in de loop der jaren werd het steeds erger. Kapitein Raymond Westerling, ‘de Turk’, die ik als jongen wel stoer had gevonden met zijn pistool op de heup, bleek in Zuid-Celebes massale ‘standrechtelijke executies’ te hebben laten uitvoeren. In het Javaanse dorp Rawagede waren honderden inwoners zonder pardon doodgeschoten. Waren ‘onze jongens’ werkelijk tot zulke dingen in staat? Schande voor Nederland!

Maar toch, toen ik in 2013 mijn Afscheid van de koloniën schreef, kwam ik dicht bij de enigszins provocatieve slotsom van de historicus Joop de Jong in de Volkskrant: ‘Nederland deed het in Indië zo gek nog niet.’ Mijn boek gaat over de Nederlandse dekolonisaties in wat ‘de West’ en ‘de Oost’ genoemd werd en als je alleen naar het politieke en diplomatieke proces keek, kon je De Jong wel enigszins gelijk geven: Nederland bereikte in 1949 wonder boven wonder op papier ongeveer wat het had willen bereiken.

Maar dan moest je de ‘politionele acties’ of ‘militaire offensieven’ of ‘koloniale oorlogen’ buiten beschouwing laten en kan dat wel? En het was wel duidelijk dat Indonesië de vorm waarin Nederland deze dekolonisatie wilde gieten nooit van harte aanvaard had.

Het beste voorhebben

Dit verschuivende beeld van de geschiedenis geldt voor de Nederlandse publieke opinie in het algemeen. Voor de Tweede Wereldoorlog overheerst het gevoel dat daar in Azië door ons, naar het woord van Jan Pieterszoon Coen, ‘iets groots verricht’ wordt en dat wij het beste voorhebben met de inlanders, die ons dan ook een warm hart toedragen. Na de oorlog domineren aanvankelijk het verdriet en de rancune dat Soekarno ‘ons mooie Insulinde’ van ons heeft afgepakt.

Later, vanaf het eind van de jaren zestig, rijzen de twijfels: hadden we Indonesië niet eerder moeten afstaan? Waren die zogenaamde politionele acties in plaats van een campagne om in Indië orde en rust te herstellen in wezen niet een poging ons koloniaal gezag er opnieuw te vestigen?

En nu, in de eenentwintigste eeuw, lijkt ons beeld van deze dekolonisatie bepaald te worden door oorlogsmisdaden, ‘de brandende kampongs van Generaal Spoor’, naar de titel van het boek dat Remy Limpach over het Nederlandse militaire geweld in Indonesië schreef. Hebben we ons daar niet schandelijk misdragen, als ouderwetse koloniale houw­degens?

Fiasco van goede bedoelingen verschijnt ­aanstaande donderdag.

John Jansen van Galen, journalist en publicist. Beeld ANP Kippa
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden