Column

De wolken zijn witter dan het haar van Gerard Cox

James WorthyBeeld Agata Nowicka

Vannacht droomde ik dat ik kon vliegen. Ik was naakt en vloog over Nederland heen. Ik zag de slootjes, de windmolens, de fietspaden en de voetbalvelden waarop kinderen in oranje hesjes speelden tegen kinderen zonder oranje hesjes.

Ik zag lange slingers scholieren op de fietspaden, hun rugzakken waren groter dan oude magnetrons. Ze fietsten langs de windmolens, die ook moeten blijven draaien als niemand naar ze kijkt.

Windmolens zijn zo mooi als niemand naar ze kijkt. Dan krimpen ze, want eigenlijk hoeven ze helemaal niet zo groot te zijn.

Ik keek naar de windmolens toen niemand naar ze aan het kijken was. Ze bleven draaien. Als dj's voor een lege zaal bleven ze draaien. Ik zag de slootjes, de duizenden slootjes, en allemaal ­waren ze net diep genoeg om in te kunnen verdrinken.

Soms moet ik naakt over Nederland heen vliegen om te zien hoe ontzaglijk volmaakt ons land is. Kan zijn. Van dichtbij is het soms moeilijk te zien. Dan zie je de woede, ruik je de haat. Van dichtbij kun je in de kloof staren en zien dat de kloof een afgrond is geworden. En als je heel goed kijkt, spot je de wondjes en de littekens op de huid van de groeiende diepte.

Zo nu en dan is het heel moeilijk om van Nederland te houden. Van Zing, Vecht, Huil, Bid, Lach, Werk en Bewonder zijn alleen vecht en huil overgebleven.

Het huis waar verwondering ooit woonde, is in 2017 een warenhuis geworden waar empathie en harmonie altijd in de uitverkoop zijn. Ze liggen in grote ronde bakken bij de kassa. Sommige mensen kijken in de bakken, sommige mensen pakken de dingen heel eventjes vast, maar niemand koopt iets.

Als ik te lang niet naakt boven Nederland heb gevlogen, als ik te lang te dichtbij ben geweest, merk ik dat de hoop vergaat. Dat het vuur dat ons uit elkaar aan het drijven is mij koud laat. Dan wil ik de handdoek in het vuur gooien en de ophitsers met hun triomf feliciteren.

En terwijl ik hun handen schud, zeg ik dat ik hoop dat ze er iets moois van zullen maken. Van ons land dat nu hun land is. En op dat moment word ik wakker en vlieg ik naakt boven Nederland. Ik hoor de stem van Maarten van Roozendaal. En beneden schuilt een man in een portiek.

Ik zweef boven een treinstation. Een vrouw rent over het perron. Ze is een uur te vroeg en toch wil ze haar trein halen. Een jongen fietst door Heiloo. Het slot dat hij om zijn stuur heeft gewikkeld, is duurder dan zijn fiets.

Ik hang boven de Kolenkitbuurt. Op een pleintje tussen de gebouwen spelen wat jongens vijf tegen vijf, ­terwijl nummer elf en twaalf op een bankje zitten en rappen over het leven dat nog moet beginnen.

In een tuin in Almere kussen twee vrouwen elkaar. Op tafel ligt een pak speculaasjes. Een kat kotst op het dak van een schuurtje. Dan daal ik wat en kijk bij een willekeurig huis naar binnen.

Een jongetje ligt op zijn buik op bed. Zijn benen staan omhoog. Spidermansokken. Onder zijn hoofd ligt de VPRO Gids. Ik stijg weer wat. Hoger dan ooit tevoren. De wolken om me heen zijn witter dan het haar van Gerard Cox. En voor de laatste keer kijk ik naar beneden. Mijn liefde voor Nederland is nog nooit zo dichtbij geweest.

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns hier terug. Reageren? james@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden