Opinie

‘De strijd om emancipatie roept altijd weerstand op’

Strijd om emancipatie roept altijd weerstand op. De mechanismes die bij de 18de-eeuwse Haïtiaanse Revolutie speelden, zijn vandaag nog even relevant, stelt René Koekkoek. 

Confrontatie tussen de opstandelingen en het Franse leger op Saint-Domingue in 1802.Beeld Gamma-Rapho via Getty Images

Historicus Karwan Fatah-Black vestigde op 1 juli in zijn Keti Koti-lezing de aandacht op de vrijheidsstrijders van de Haïtiaanse Revolutie. Terecht stelt hij dat deze revolutie een keerpunt was in de strijd tegen slavernij. Tegelijk is het van belang de tegenkrachten die deze revolutie opriep beter te begrijpen.

Al in 1939 schreef de Trinidadse schrijver en activist C.L.R. James: ‘Zwarte mensen kwamen in opstand tegen slavenhandelaren op de Atlantische oversteek. Ze kwamen in opstand op de plantages. […] De enige plek waar ze niet in opstand kwamen, is op de bladzijdes van kapitalistische historici.’

James bracht daar zelf verandering in met zijn klassieke studie over de Haïtiaanse Revolutie, The Black Jacobins. Als bewonderaar van de Franse en Russische revoluties stelde James het handelend vermogen – de agency – van de onderdrukte zwarte bevolking van Saint-Domingue centraal. Saint-Domingue, zo werd het eiland genoemd tot het in 1804 de naam Haïti aannam.

Het boek is een meeslepende vertelling over revolutionaire zelfbestemming. Zo droeg James bij aan de herontdekking van de Haïtiaanse Revolutie als een inspiratiebron en onuitwisbaar referentiepunt voor antikoloniale en antiracistische verzetsstrijders in Afrika en andere delen van de wereld. Fatah-Blacks fraaie lezing over het historische belang van de Haïtiaanse Revolutie staat in het verlengde van die traditie.

Tegelijk is het belangrijk om dieper in te gaan op de formidabele tegenkrachten die de Haïtiaanse Revolutie opriep. Elke historische emancipatiebeweging, nu en in het verleden, roept weerstand op. Inzicht in de intellectuele mechanismes die ten grondslag liggen aan die weerstand kan helpen patronen te herkennen die opduiken in verleden, heden en toekomst.

Een gespiesd kind

Onthullend is de boodschap van een delegatie Franse plantagehouders die eind oktober 1791 in Parijs arriveerden. Ze kwamen van het eiland Saint-Domingue waar enkele maanden eerder duizenden zwarte verzetsstrijders op de noordelijke vlakte een opstand waren begonnen. Deze rebellie, donderden de witte slavenhouders in de Franse Wetgevende Vergadering, was een ‘toneel van Afrikaanse wreedheden en barbarij’. Symbool voor hun veronderstelde gruwelijkheid stond het ronddragen van het ‘kadaver van een wit, aan de punt van een speer gespiesd kind’. Dit macabere beeld, mogelijk verzonnen, zou jarenlang worden gerecycled in Franse, Amerikaanse en Britse media. De strijd om de beeldvorming van wat zich op het eiland afspeelde, was begonnen. De vrijheidsstrijd werd gereduceerd tot primitief geweld.

De delegatie van plantagehouders achtte het ook opportuun om de Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger van augustus 1789 te prijzen. Dat deed het natuurlijk goed in een zaal vol revolutionaire volksvertegenwoordigers. Dit document was ongetwijfeld ‘heilzaam voor verlichte mannen’, zeiden de leden van de delegatie. Maar het was niet bestemd voor slaven, ‘die incapabel zijn om wijselijk van hun vrijheid te genieten’. Sterker, ze achtten de kans minimaal dat de zwarte opstandelingen überhaupt op eigen initiatief hadden gehandeld. De grote schuldigen waren de roekeloze ‘filosofen’ van een Parijs antislavernijgenootschap. Door hun radicale ideeën te verspreiden, zouden ze de slaven hebben ‘geïnfecteerd’ met waanbeelden over gelijkheid en vrijheid.

Deze weergave was om allerlei redenen onjuist. Maar ook deze voorstelling, namelijk dat de opstandelingen van Afrikaanse komaf niet verlicht, niet geciviliseerd genoeg zouden zijn om aanspraak te kunnen maken op gelijke burgerrechten, zou de beeldvorming van de gebeurtenissen op Saint-Domingue diepgaand bepalen.

Kort samengevat: de opstand was niet het gevolg van een zelfstandige keuze, de rechten die werden geëist waren nooit voor hen bedoeld.

Black Lives Matter

De meeste ‘verlichte’ Fransen, Nederlanders en Amerikanen die wel voorstander waren van de afschaffing van slavernij, waren bereid ‘perspectief’ te bieden: ooit, in een verre toekomst, en dan alleen stapsgewijs, ligt waarlijke burgerlijke gelijkheid in het verschiet; eigenlijk een soort semipermanent tweederangsburgerschap. De Haïtiaanse revolutionairen hadden daar geen boodschap aan. Ze verjoegen de Franse legers en riepen een vrije staat uit.

Anno 2020 weet iedereen dat beeldvorming – frames – bepalend zijn voor hoe revolutionaire strijd of politiek activisme wordt begrepen en beoordeeld. Dat was rond 1800 zo. Dat is nu zo. Ook de demonstranten en activisten die onder de vlag van Black Lives Matter de straat op gaan hebben formidabele tegenkrachten opgeroepen. De strijd om de beeldvorming en framing van de demonstratiebeweging is nog iedere dag gaande.

Sommige media en opiniemakers (en een zekere president) hebben geprobeerd de demonstraties te reduceren tot plunderingen, brandstichtingen, primitief geweld. Die pogingen hebben gefaald. De reden is dat het overgrote deel van de demonstraties vreedzaam waren, voortkwamen uit oprechte en terechte gevoelens van boosheid en frustratie.

In de Verenigde Staten, maar ook in Nederland, zijn er stemmen te horen die oproepen tot ‘geduld’. Institutioneel racisme kan immers niet ‘van de ene op de andere dag’ verdwijnen. Of neem het zwartepietendebat, dat in wezen gaat over de vraag wie het recht heeft de publieke ruimte, nationale mores en tradities mede vorm te geven: de aanpassingen moeten ‘stapsgewijs’ gaan. Zo tonen zich uiteraard geen een-op-eengelijkenissen, maar wel mechanismes en denkpatronen die teruggaan tot het revolutietijdvak: wie mag aanspraak maken op gelijke rechten, wie behoort tot de politieke gemeenschap en onder welke voorwaarden?

De Haïtiaanse Revolutie is een keerpunt in de historische strijd tegen slavernij; inzicht in de tegenkrachten die zij opriep is nu minstens even relevant. 

René Koekkoek. Historicus verbonden aan de Universiteit Utrecht. Eind september verschijnt zijn boek Revolutionaire tijden. Politiek en idealen rond 1800.Beeld Ruud Pos
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden