Roos Schlikker. Beeld Lin Woldendorp
Roos Schlikker.Beeld Lin Woldendorp

De stad is van gewapend beton

PlusRoos Schlikker

Ze gaf het me maanden geleden plompverloren. “Alsjeblieft!” straalde ze. Ik staarde naar het kleinood. Mijn tante Corine geeft wel vaker merkwaardige cadeaus: Poolse chocoladebonbons houdbaar tot 2006 (“Zit daar een datum op? Wat grappig!”), een spel van Bumba de Clown voor mijn zoon (die volgend jaar naar de middelbare gaat). Maar wat moest ik met een brak houten stoeltje ter grootte van mijn hand? Ze glimlachte. “Dit was van pake. Hij gaf het speciaal aan mij. Nu is het voor jou.”

Mijn opa, de dominee, ze praat veel over hem. Ik snap dat. Levenslang willen we de goedkeuring van onze ouders verdienen en die van haar moeder kreeg Corine nooit. Corine kwetterde te hard. Corine vertelde malle mopjes. Corine ging met ‘vreemde mensen’ om. Een autistische boer, een verwarde vrouw met een hazenlip, Corine was erdoor gefascineerd en bleef eindeloos in hun Friese huisjes hangen. Mijn oma negeerde deze dorpsbewoners liever. Zij was statusgevoelig, dol op diploma’s en gewichtige betrekkingen. “Doe toch eens normaal,” bitste ze Corine toe. Maar Corine had slechts haar eigen normaal.

Vaak regende het afkeurende blikken van mem. Maar haar vader nam het altijd voor Corine op. “Kom maar bij mij.” Op zijn bureau stond levenslang een beeldje van een lam. Het oor brak ooit af. Slordig en scheef was het er weer op gelijmd. Dat kapotte beestje hoefde niet weg. En Corine die ietwat anders was evenmin. Hij gaf haar een ministoeltje. “Hierop is plaats. Altijd. Voor iedereen. Onthoud dat maar als je ernaar kijkt, kindje.”

Zestig jaar later rijd ik door Amsterdam. Alle winkels in de P.C. Hooft zijn gepantserd. Houten schavotten, betonblokken, hele containers op de stoep om te voorkomen dat relschoppers winkels naderen. Het is zij tegen wij, wij tegen zij. Jouw normaal is het mijne niet. Mijn deugen het jouwe niet. De stad is van gewapend beton.

Gek genoeg denk ik opeens aan het stoeltje van pake. Toen ik 12 was, namen mijn ouders hem en mijn oma mee naar een restaurant. Het was een chique bedoening met knipmessende obers. Wat mijn ouders zich echter niet hadden gerealiseerd was dat het etablissement aan de Ruysdaelkade lag, waar het wemelt van de prostituees. Daar zaten we in onze nette kleren, terwijl vrijwel naakte wulpse dames pal voor onze neuzen mannen hun roodverlichte kamertjes binnenlokten. Mijn oma poogde eroverheen te praten, mijn moeder boog zich gegeneerd over haar salade. Maar mijn opa, diepgelovig en zacht tegelijk, mompelde vanachter zijn pijp slechts goeiig: “Ach. De stakkers.”

Ik heb nooit geweten of hij het over de vrouwen of hun bezoekers had. Maar nu denk ik: misschien bedoelde hij iedereen. Want mijn opa was inclusief nog voordat het een woord was.

Ik kom thuis en kijk in de boekenkast. Daar staan ze. Een ministoeltje. En een lam met een gebroken oor. Troepjes, onverkoopbaar op Koningsdag, makkelijk te vertrappen onder voetzolen vol eigen gelijk. Maar ook tokens van radicale mildheid. Heel oude misschien. En ook een beetje rare. Maar ze mogen nooit, nooit weg.

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken. Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Reageren? r.schlikker@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden