Theodor Holman.Beeld Artur Krynicki

De rode sjaal als waarschuwing voor een pijnlijke ontmoeting

PlusTheodor Holman

Den Haag.

Een man van in de vijftig is weggelopen uit een verhaal van Tsjechov en wacht, starend naar het Binnenhof, op iets wat hem nerveus maakt. Onmiskenbaar een ambtenaar. Geen hoge.

Daar komt ze aan. Te jong en te mooi, te hooggehakt en te kortgerokt, ondanks het koude weer. Achter haar wappert een rode sjaal als een vlag die eigenlijk een waarschuwing had moeten zijn.

“Hé, u hier?” zegt zij.

“Jij hier?” zegt hij bijna op hetzelfde moment.

Het verschil tussen u en jij probeert hij met wat onderdanige knikjes weg te gummen. Dan vraagt hij: “Heb je zin in een koffie?”

“Nou… eigenlijk niet,” zegt zij, “maar mag het ook thee zijn?”

Hij glimlacht hierom ruim.

Terwijl ze naar een bekend café-restaurant lopen – gezien zijn houding is hij nu al trots – vraagt zij: “Hoe gaat het nu met u?”

“Heel goed… Echt. En zeg alsjeblieft ‘je’ en noem me Ton.”

“Ik weet niet of me dat lukt hoor… Ton.”

Ze lopen het etablissement binnen, gaan bij het raam zitten en er wordt snel een koffie en een thee besteld. Zij kijkt op haar horloge, het is duidelijk haar pauze. Hij wil wel een gesprek beginnen maar weet niet goed hoe. Gelukkig begint zij.

“We leefden allemaal met u mee... ‘je’ dus…”

“Ja… ach… fijn… jullie waren allemaal erg aardig voor me.”

“Het moet een klap zijn geweest… Maar wilt u… hè verdorie… ‘je’ het er wel over hebben?” Haar tweede persoon enkelvoud klinkt steeds als een stuk bestek dat uit slordigheid op de grond valt.

Hij glimlacht weer.

“Het is allemaal zo ver weg… en nog zo dichtbij… ik bedoel...”

Wat hij bedoelt, verbergt hij in een slok van zijn koffie.

“Je moet voort hè?” zegt zij, keurig in het midden latend of het een vraag of een constatering is.

“Het biedt ook nieuwe kansen,” zegt hij. Hij kijkt weer even in zijn koffie of daar wat minder lullige zinnen in zitten.

“En hoe gaat het met jou?” vraagt hij dan.

Een brede glimlach verschijnt op haar gezicht.

“U heeft het gehoord hè?”

Door haar vreugde vergeet ze ‘je’ te zeggen.

“Wat zou ik gehoord moeten hebben?”

“Dat ik zwanger ben, toch?”

“O dat?” Er valt ergens een boomstam naar beneden. “Ja, je bent zwanger… ja… leuk zeg.”

“Ik merk er nog niet veel van.”

“Wees maar blij,” zegt hij.

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? t.holman@parool.nl.

Lees ook:
- Ik zette de kinderen eerst, met kleren aan, in de sauna
- ‘Je zou een uitstekende dictator zijn, Mark Rutte’
- Ambtenaren zijn geboren met een kwispelstaart

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden