Femke van der LaanBeeld Artur Krynicki

De oudste hoeft alleen maar te horen: ‘Ik ben hier’

PlusFemke van der Laan

“Hoi.” Ze staat bij de keukendeur, de oudste. In haar ene hand heeft ze haar telefoon, haar andere hand houdt de deurstijl vast terwijl ze een beetje opzij leunt. Ik heb haar niet zien aankomen. Ik pers sinaasappels. Met de hand. We zijn met vakantie. Net klopte ik melk. Ook met de hand. De sinaasappels met rechts, de melk met links. Ik zag voor me hoe ik aan het einde van de vakantie gespierde onderarmen zou hebben. Het zag er raar uit. Toen stond ze in de deurpost en zei hoi.

De oudste kijkt slaperig. Ze heeft het laat gemaakt vannacht. Ze las een boek. Een eng boek. Ze stuurde berichtjes terwijl ze las. Van haar bed naar mijn bed. Over dat het eng was. Over wie er dood was. Over wie dat gedaan zou kunnen hebben – of toch die ander. Over dat ze ging stoppen met lezen. Over dat het steeds enger werd. Over dat ze nu echt ging stoppen met lezen. Over dat het bijna uit was. Over wie het uiteindelijk echt had gedaan.

Eerst had ik nog gereageerd. Berichtjes teruggestuurd, naar de kamer naast me. Tot de oudste liet weten dat dat niet hoefde, dat ik niet hoefde te reageren, alleen maar lezen. Toen las ik alleen maar, liet de vinkjes blauw worden op haar toestel: ik ben hier.

Ik lag in het donker op mijn rug met mijn telefoon op mijn buik en dacht aan hoe de oudste altijd al een onderzeeboot is geweest. Een onderzeeboot met sonar. Ze zendt een signaal uit en luistert naar de weerkaatsing. “Ik ben hier.” Dat is genoeg. Dan vaart ze weer verder.

Ik luisterde naar de stilte tussen de piepjes van mijn telefoon en zag haar weer staan, naast het grote bed, toen ze kleiner was, na een enge droom. “Ik had een enge droom.” Dan tilde ik haar over me heen, legde haar in het midden, draaide me naar haar toe. “Ik ben hier.”

Maar ze lag daar nooit lang.

Ze had haar puls uitgezonden, het geluid was teruggekaatst, ze had de objecten gelokaliseerd. “Ik ben hier.” Dat was genoeg. Verder had ze er niet zoveel te zoeken, daar in het midden. Het was haar plek niet. Zij hoorde ergens anders. Ze liet zich drijven op het water, met haar ogen open, zonder verder te slapen. Dus bracht ik haar weer terug. Naar open zee. Waar ze al snel onder het wateroppervlakte verdween.

Ik gooi een sinaasappelschil in de prullen­bak en kijk naar de oudste. “Hee.”

Haar lippen vormen een glimlach. Ze gaat rechtop staan en gaapt. Even. Dan zie ik haar weer verder varen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden