Theodor HolmanBeeld Artur Krynicki

De oude koning was bang dat hij ook ziek zou worden

PlusTheodor Holman

De oude koning wandelde met zijn hondje door zijn rijk, waar het stil was geworden sinds er een vreemde ziekte rondwaarde die bijna iedereen had geveld. Dat baarde de koning zorgen. Hij was bang dat hij ook ziek zou worden.

Opeens was hij verdwaald. Hoe moest hij verder? In een rots zag hij toen een grote deur.

“Die deur heb ik nog nooit gezien. Wat zou zich daarachter bevinden?”

De deur zwaaide zomaar open. Binnen was het donker, maar de koning was nieuws­gierig en liep de duisternis in. In de verte leek iets te zijn.

Iets…

Eerst kwam hij Donald Duck tegen – en Kuifje en Suske en Wiske. Hij zag hen wel, maar zij hem niet.

De koning was niet bang. Plotseling kwam hij in een ander landschap terecht.

Hier liepen ook mensen die hij herkende, maar hij wist hun naam niet. Hij passeerde schoolklassen, voetbalclubs, muzieklessen.

Er waren huizen die hij zich herinnerde, straten en pleinen, maar waar was hij? Soms wist hij dat hij linksaf moest gaan, of rechtsaf of rechtdoor, en toch was het hem onbekend.

“Ik ben hier toch nooit eerder geweest?” zei de koning tegen zichzelf.

Hij liep verder en verder. Hij kwam bij een groot huis.

“Ik ken dit huis toch, of niet?” Hij liep naar binnen en herkende een tafel, een bureau, een boekenkast, een bed. Hij liep naar een slaapkamer en hoorde: “Wat doe jij hier?”

Het was zijn moeder. Zijn moeder die gestorven was toen hij nog kind was.

“Je hoort hier niet te zijn. Je moet terug. Terug! Doe maar wat ik zeg.”

“Mamma, ik…”

“Ga weg. Je hoort hier nog lang niet te zijn. Ga weg! Nu. Zo snel als je kunt. Ren! Ren!”

De koning draaide zich om en begon te ­rennen. Sneller, steeds sneller vluchtte hij de onbekende bekende straten uit. Hij haastte zich langs de mensen wier naam hij niet wist, maar wier gezichten hem bekend voor­kwamen, tot hij weer buiten stond. Hij hijgde en zweette. En hij zag nu pas dat zijn hondje, dat hij niet had meegenomen, trouw op hem wachtte.

“Sire? Sire, bent u daar?”

Een lakei liep op het pad naar hem toe.

“We zochten u, Sire… We waren u kwijt.”

“Ik maakte een wandeling en…”

Hij keek achter zich, maar de deur was ­verdwenen.

“We hebben u nodig, Sire.”

“Ja… Laten we gaan.”

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? t.holman@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden