Plus

De opgestroopte mouwen versus de ingekakte elite

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (35) probeert op maandag, woensdag en vrijdag iets van het leven te begrijpen.

James WorthyBeeld Agata Nowicka

Mijn leven begon in een zijstraatje van de Bilderdijkstraat. In het Juliana Ziekenhuis om precies te zijn. Op mijn geboortekaartje stond een ooievaar en onder de vogel stond de naam James Patrick Pugh. Precies dezelfde naam als de opa van mijn vader, die in de Eerste Wereldoorlog naar vrede zocht, maar enkel de dood vond.

Ik draag de naam van een gesneuvelde korporaal. In feite ben ik dus al een keer gestorven. Dit is mijn tweede leven. Ik denk vaak aan de allerlaatste momenten van mijn overgrootvader. Een man van vierendertig met een lichaam vol granaatscherven. Uit zijn binnenzak haalt hij een zakatlas. Hij slaat het boekje open en kijkt naar de plekken waar hij veel liever had willen sterven. Stockholm. Lissabon. Amsterdam.

Maar hij bezwijkt ergens in het midden van nergens. Liggend in de loopgraven. Op een koud bedje van donkerrode modder. Hij denkt aan de zomers van vroeger. Korte rokjes, lange nachten. Hij denkt aan Oslo, Madrid en Rotterdam, maar zijn ziel is een lifter die langs de snelweg naar het hiernamaals staat. Een zwarte stationwagen stopt. Mijn overgrootvader denkt wederom aan de stad Rotterdam en stapt in.

Amsterdam is mijn stad. Er stroomt grachtenwater en duivenstront door mijn aderen. De straat is mijn huid, de bruggen over het water zijn mijn armen en benen, het Vondelpark is mijn baard en mijn hart klopt het repertoire van Hazes. En toch, ondanks dit alles, heb ik helemaal niets tegen Rotterdam. Ik snap zelfs waarom mijn overgrootvader aan Rotterdam dacht. Het is een mooie stad om in te leven. Het is een mooie stad om in te sterven.

Nederland telt twee wereldsteden, maar door de hardnekkige rivaliteit lijken het net twee dorpjes. Wie heeft de beste braderie? Waar staat de oudste boom? Welk dorp heeft de langste waterglijbaan? Waar woont de politieagente met de dikste reet? In 010 of in 020? Het is te treurig voor woorden.

De rivaliteit tussen Amsterdam en Rotterdam is een rivaliteit die in zijn geheel op vooroordelen is gebaseerd. De opgestroopte mouwen versus de ingekakte elite. De gereedschapsgordel tegen de grachtengordel. John de Wolf versus Peter en de wolf van Prokofjev. Lee Towers tegen Harry Mulisch.

En ik begrijp het niet. Die haat. Komt het toch gewoon door het voetbal? Zijn onze steden echt niet groter dan tweeëntwintig hele matige voetballers op een grasveld? Het is zo zonde. Haten op de mooie buurvrouw maakt de eigen mooie vrouw niet mooier.

Rotterdam is prachtig. Al die wolkenkrabbers lijken op vrouwenbenen waar maar geen einde aan komt. Ze dragen panty's van glas. En de Erasmusbrug lijkt op de harp van een reus. Rotterdam doet niet onder voor Amsterdam en vice versa. Allebei de steden zijn magisch.

Maar Amsterdam is mijn stad. Ik heb hier geen wolkenkrabbers nodig. Amsterdam is de potgrond waarin al mijn dromen tot ver in de wolken kunnen groeien. Dit is mijn stad. Tot de zwarte stationwagen stopt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden