Plus Om de wereld

De oorlog die niet voorbijgaat

Eén kwestie, twee visies: de Amsterdamse blik en een mondiale kijk op de actualiteit. Deze week: de oorlog die niet voorbijgaat.

max pam paul brill artikel roze groot Beeld Artur Krynicki

Pam

Op deze dag denk ik altijd aan ­deze krant, Het Parool, en in het bijzonder aan het illegale Parool. Jaren geleden kreeg ik van de Paroolarchivaris een map met stukken en stukjes die mijn vader in WOII voor Het Parool heeft geschreven. Er zaten ook verslagen tussen die hij had gemaakt van de Londense radiotoespraken van ­koningin Wilhelmina.

Mijn vader schreef die stukjes vanuit zijn onderduikadres in Wijdenes, een dorpje in Noord-Holland aan het IJsselmeer. Op een nabijgelegen boerderij werkte hij als boerenknecht en daarom heb ik in mijn jeugd menig college van hem gehad over appel- en perensoorten. Pas later heb ik gehoord hoe hij daar terecht is gekomen, want hij sprak niet graag over die periode.

Aanvankelijk had hij een baantje bij de Joodsche Raad en in die hoedanigheid gaf hij gegevens door aan het verzet. Tot hij op een avond zijn eigen arrestatiebevel zag liggen. Hij ging niet meer naar huis en werd de volgende ochtend naar Wijdenes gebracht. 

Daar kwam hij terecht bij Sal Tas, na de oorlog Paroolcorrespondent in Parijs, en bij Louis Kukenheim, die later rector magnificus van de Leidse Universiteit zou worden. Zij spraken onderling Frans, speelden potjes dammen en verborgen zich in de hooiberg als de Duitsers over de dijk patrouilleerden. 

Boer Schaap en zijn vrouw waren de moedigen die deze drie Joden hebben gered. Na de oorlog reden de families Tas, Kukenheim en Pam elk jaar naar Wijdenes om de verjaardag van boer Schaap te vieren. Wij liepen dan naar de landweg, waar boer Schaap nog op de Duitsers had geschoten.

In 1945 trad mijn vader als journalist in dienst bij Het Parool, inmiddels vrij en onverveerd. Hij kwam daar mijn voorbestemde moeder tegen, die op de steno werkte. Zo werd ik verwekt en kwam ik ter wereld als 'de eerste Paroolbaby'. Het is maar dat u het weet. Hoeveel Paroolbaby's er toen zijn geboren, weet ik niet, maar misschien komt er een tijd dat ik ook de laatste Parool­baby zal zijn van die generatie. 

Van vaders kant hebben niet veel familieleden het overleefd. Mijn grootvader Mozes bijvoorbeeld is in Sobibor omgebracht. Vanuit Warschau ben ik daar eens met de auto heen ge­reden. Op de Himmelfahrtstrasse, waarover de gedeporteerden moesten lopen om de gas­kamers te bereiken, heb ik een steen te zijner nagedach­tenis laten neerleggen. 

Als zelfkwelling heb ik toen in Polen voormalige concentratiekampen bezocht. Macaber in de overtreffende trap vond ik Majdanek. Daarnaast is inmiddels een woonwijk met flats gebouwd. Als de bewoners 's ochtends opstaan en uit het raam kijken, zien zij neer op het voormalige crema­torium.

Max Pam

Brill

Bij het aanschouwen van plaatsen waar grote verschrikkingen plaatsvonden, bezorgen schrijnende details je vaak meer rillingen dan de eigenlijke gruwelijkheden. Zo'n detail in Auschwitz is de weelderige villa van SS-Obersturmbannführer Rudolf Höss, drie jaar lang commandant van het vernietigingskamp. Hij woonde er met zijn vrouw en vijf kinderen.

De villa ligt pal buiten het kampterrein, op zo'n 200 meter van de plek van de eerste, tamelijk 'primitieve' gaskamer. (Later zou de vergassing grootschaliger en efficiënter worden aangepakt in het aangrenzende Birkenau.) Joden en Poolse gevangenen werden naakt naar deze zogenaamde doucheruimte gedirigeerd. Uit de douches kwam evenwel geen water, maar Zyklon B.

Even verderop leidde het gezin Höss een opgewekt en vredig bestaan. O, wat hield Frau Höss van deze plek. Het comfortabele huis (geconfisqueerd van een welgestelde Poolse familie). De bosrijke omgeving. Het prettige klimaat. De goede bevoorrading. De gezellige avondjes met andere Duitse officieren. Met weemoed nam ze afscheid van dit zalige oord toen haar man in december 1943 werd teruggeroepen naar Berlijn.

Begin deze week was ik voor het eerst in Auschwitz. Een bezoek dat er eens van moest komen, al was het maar als eerbetoon, hoe pover ook, aan mijn daar vermoorde grootmoeder, ooms en tantes. Familieleden die ik als naoorlogse nakomeling nooit heb gekend.

Ik stond bepaald niet te popelen om te gaan, vooral uit vrees voor het banaliserende effect dat het massatoerisme kan hebben. Met een kleine 300.000 bezoekers per jaar is Auschwitz een 'attractie' van formaat geworden. Een stille hommage aan de slachtoffers kun je er inderdaad wel vergeten, maar aan de massaliteit heb ik me veel minder gestoord dan ik had gedacht. 

Er heerst een sobere sfeer zonder snacks en selfies. En de grote toeloop heeft onmiskenbaar een groot pluspunt: leerboeken en documentaires vertellen het verhaal van de Holocaust, maar niets doordringt je zozeer van de industriële omvang en de peilloze wreedheid ­ervan als een rondleiding door Auschwitz-Birkenau, waar 1,1 miljoen van de in totaal 6 miljoen door nazi-Duitsland omgebrachte Joden de dood vonden.

Laten de organisatoren van Nederlandse herdenkingen en aanverwante plechtigheden dan ook vooral hun licht opsteken op deze plek. Hier bereikte de onmenselijkheid een onbevattelijke diepte. 

Dan begrijpen ze misschien beter waarom het misplaatst is om de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog te verdunnen door er allerlei naoorlogs leed doorheen te mengen. En waarom het een kwalijke misvatting was om te denken dat de verzoening tussen volkeren wordt bevorderd door het volkslied schielijk te schrappen.

Paul Brill

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden