PlusJeugdzorg

De onbezonnen decentralisatie jeugdzorg kón niet goed gaan: tijd voor drastische veranderingen

De rijksoverheid heeft de jeugdzorg gedecentraliseerd, maar die nieuwe opzet werkt niet, stellen Danielle Jansen, Marloes Kleinjan en Jochen Mirau. De jeugdzorg moet drastisch worden herzien.

Depressie / jongere / jeugdzorg Beeld Getty Images/EyeEm
Depressie / jongere / jeugdzorgBeeld Getty Images/EyeEm

Al jaren, en onlengs in toe­nemende mate, wordt vanuit verschillende gremia onvrede geuit over het functioneren van het jeugdzorgstelsel. Rapport op rapport wordt benadrukt dat het zo niet langer kan.

Wat steeds meer de boventoon voert in deze rapporten en discussies, is het al dan niet (deels) recentraliseren van de jeugdzorg en de behoefte aan meer geld voor de jeugdzorg.

Waar in de discussies en in het hele nadenken over beleid echter volledig aan voorbij wordt gegaan, is het teleurstellende gegeven dat evaluaties of analyses waarop beleid zou moeten zijn gebaseerd, volledig ontbreken.

Dus ongeacht hoe het beleid er in de komende jaren gaat uitzien, moet het op zijn minst onderbouwd worden vormgegeven. Dit vergt een weloverwogen en duurzaam opgezette data-infrastructuur.

Gebakken lucht

In 2015 is de rijksoverheid om verschillende redenen gaan decentraliseren: een gefragmenteerd jeugdhulpaanbod, een veranderende maatschappij (van verzorgingsstaat naar participatiemaatschappij) en een ongunstige financiële situatie vroegen om een andere besturing en organisatie van de zorg voor jeugd. Ook waren er lange wachtlijsten en langdurige bureaucratische processen.

Helaas is de decentralisatie vervolgens gebaseerd op gebakken lucht: er liggen geen evaluaties of analyses ten grondslag aan het nieuwe jeugdzorgstelsel, evenmin is tijdens het trans­itie- en transformatieproces geanalyseerd op welke onderdelen zou moeten worden bijgestuurd om de decentralisatie in goede banen te leiden. Was dit wel gebeurd, dan had die analyse laten zien dat een decentralisatie zoals die in 2015 in gang is gezet, gedoemd was te mislukken.

Het resultaat van het niet tijdig bijsturen is terug te zien in bijvoorbeeld de eerste evaluatie van de Jeugdwet; nog steeds moet de beoogde transformatie grotendeels op gang komen. Dit betekent dat al die jaren gevuld zijn met sub­optimale zorg en dus suboptimale uitkomsten voor de meest kwetsbaren van onze samen­leving.

Ondoordachte voorstellen

Het doldriest op zoek gaan naar rigoureuze ad-hocoplossingen om de zorg te verbeteren is helaas een kenmerk des jeugdzorgs. Bij geen enkel ander onderdeel van de zorg gaat men zo blind en onbezonnen te werk.

Te vaak worden preventie- en opvoedprogramma’s die in het buitenland succesvol blijken, linea recta overgenomen zonder na te gaan of de interventie wel overdraagbaar is naar Nederland. Ook wordt in geen enkel ander onderdeel van de zorg geaccepteerd dat zo veel programma’s en interventies worden ingezet, waarvan de effectiviteit en toegevoegde waarde onbekend is of slechts van korte duur. Tot slot wordt in geen enkel ander onderdeel van de zorg langdurig aanvaard dat jeugdigen met zeer ernstige en soms levensbedreigende problemen zolang op zorg moeten wachten – of zelfs geweigerd worden, omdat ze te complex zijn.

Er zijn signalen te over dat het tijd is om de zorg voor jeugd op een aanvaardbaar peil te brengen. Wij zien echter niet de ondoordachte voorstellen, zoals recentralisatie en het toeschuiven van meer budget naar de gemeenten, als de panacee voor alle kwaden in de zorg voor jeugd. Wat wij wel als oplossing zien, is het ­kritisch en grondig monitoren en analyseren van het huidige, gedecentraliseerde stelsel.

Tegelijkertijd zou moeten worden ingezet op, enerzijds, onderbouwde ‘laaghangend fruitoplossingen’, om meteen een begin te maken met het verbeteren van preventie en zorg. Anderzijds zou moeten worden ingezet op duurzame en soms gedurfde investeringen, niet alleen in termen van geld, maar ook in ­termen van mentaliteit en toekomstige doelen én gebaseerd op wetenschappelijke inzichten.

Randvoorwaarden

Als we ons zorgsysteem voor de jeugd willen verbeteren, hebben we inzicht nodig in de mentale gezondheid van de jeugd; van ­welbevinden tot psychische klachten en ­psychische stoornissen. Dit ontbreekt nu, maar is essentieel om effectief te kunnen ­inzetten op preventie en zorg.

Daarnaast moeten we veel meer zicht krijgen op de organisatie van zorg. Op noodzakelijke randvoorwaarden als capaciteit, opleiding en informatiesystemen en, vooral, hoe de aan- of afwezigheid van deze randvoorwaarden de toegang, kwaliteit en veiligheid van de zorg voor jeugd beïnvloeden. Deze informatie ­ontbreekt nu nagenoeg geheel; de roep om een weloverwogen en duurzaam opgezette data-infrastructuur is dus groot.

Alleen een juiste afstemming tussen essen­tiële randvoorwaarden en feitelijke zorgverlening zorgt voor positieve gezondheidsuitkomsten en gelijkheid in zorg. Deze afstemming vergt echter continue aandacht, ook ten tijde van de coronacrisis waarin we verkeren. De pandemie en de bijbehorende druk op de gezondheidszorg vragen niet per se om een nieuw stelsel, maar om het onderbouwd ­draaien aan de juiste knoppen.


Danielle Jansen (universitair hoofddocent Rijksuniversiteit Groningen), Jochen Mierau (hoogleraar gezondheidseconomie Rijksuniversiteit Groningen) en Marloes Kleinjan (programmahoofd Jeugd bij het Trimbos-instituut en hoogleraar mentale gezondheids­bevordering Universiteit Utrecht)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden