null Beeld Artur Krynicki
Beeld Artur Krynicki

De nieuwe generatie bestond in 2020 duidelijk niet uit pleasers

PlusJohan Fretz

In een lege Johan Cruijff Arena barstte een lichtshow los op I’m a Survivor van Destiny’s Child. Als je erover nadenkt een tamelijk wrang gekozen lied om 2021 mee in te luiden. Laserstralen schoten de lucht in. Dansers stonden zwoegend op het podium: ze deden net alsof er gewoon vijftigduizend toeschouwers in het stadion zaten, maar er zat helemaal niemand. Wat zegt het over ons, vroeg ik me af, dat we in een jaar van zulke extreme beperkingen toch vooral proberen na te bootsen wat we altijd deden, in plaats van het voor één keer over een heel andere boeg te gooien. Was dit het beste dat onze verbeeldingskracht te bieden had? Samen kijken naar de keizer zonder kleren: het voelde idioot en dat was het ook.

De opluchting was evengoed groot: 2020 was voorbij. Feitelijk betekende dat natuurlijk helemaal niets. Voorlopig moeten we gewoon blijven verlangen naar avontuur en nabijheid. Naar reizen, open cafés, theaters, restaurants, clubs en bioscopen. De bevrijding laat nog wel even op zich wachten, toch voelde het allemaal net even lichter.

Ik blikte nog eenmaal terug. Voor mij persoonlijk waren de onbetwiste hemelbestormers van het afgelopen jaar, te midden van alle ellende, de leden van Generatie Z. Ze kregen het nogal te verduren, in de bloei van hun leven, maar ­lieten ook van zich horen. Mijn eigen generatie, die van de oude millenials, had zich jarenlang vooral gemanifesteerd met ironie. Niet alleen als stijlmiddel, maar ook als levensovertuiging. Je zag het vaak terug in de kunst, journalistiek en popcultuur: dat steeds maar doen alsof het je allemaal niets kon schelen. Je verschuilen achter een pantser van (al dan niet gespeelde) desinteresse en zogenaamd rebelse hardheid (daar scoorde je ook mee, in elk geval bij de poortwachters en de massa).

Je las het in de honderden millenialessays rond de decadente hoofdvraag ‘We hebben zoveel keuzes, dat we niet meer weten wat we moeten kiezen’, een slap excuus om maar nergens voor te hoeven staan. En je zag het ook in de meewarigheid, spot en onthechtheid waarop je werd getrakteerd wanneer je wél iets op het spel durfde te zetten en je idealisme ongetemd de wereld instuurde.

Maar daar had de nieuwe generatie, nu echt oud genoeg om hun eigen plek op te eisen, geen boodschap aan. De afgelopen jaren, en met name in 2020, toonden zij op het hoofdpodium een vanzelfsprekende onbevreesdheid. Ze agendeerden belangrijke thema’s, spraken zich luid en duidelijk uit, unapologetic en zonder hun idealen in woord en daad te verpolderen tot waterige nietszeggendheid. Tegen racisme, seksisme, oerconservatisme, tegen de vernie­tiging van de planeet. Afrekenend met het discours dat het publieke debat al twintig jaar domineerde, dat van deemoedig luisteren naar de ‘bezorgde burger’, die overal op het schild werd gehesen met reactief en normbevestigend geklaag.

De nieuwe generatie bestond duidelijk niet uit pleasers en daar ging wat mij betreft een krachtige aansporing vanuit. Je eigen stem durven laten klinken, zonder te behagen: dat voortzetten lijkt mij een prima voornemen voor 2021.

Johan Fretz is schrijver en theatermaker. Hij schrijft op woensdag en zaterdag een column voor Het Parool.

Reageren? j.fretz@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden