Column

De Nederlandse wind blaast je een kant op, de Spaanse wind kiest je kant

James WorthyBeeld Agata Nowicka

Twee meisjes stappen uit het vliegtuig. Ze kauwen op grote bonken felroze kauwgum. In een wc-hokje op het vliegveld trekken ze hun zomerse kleren aan. Teenslippers op een pas gedweilde vloer. De hartsvriendinnen willen zo snel mogelijk naar het strand toe.

In de taxi steken ze allebei een arm uit het raam. De Spaanse wind voelt anders aan dan de Nederlandse wind. De Nederlandse wind blaast je een kant op, de Spaanse wind kiest je kant.

Het zeewater is helder. Twintig roodgelakte tenen in de branding. Een strandverkoper loopt langs en vraagt of ze misschien interesse hebben in kraalvlechtjes. De man laat de kralen zien. Het zijn mooie kralen. De meisjes twijfelen.

Wanneer de man zegt dat ze twee gratis armbandjes uit mogen kiezen, geeft het oudste meisje hem alsnog de twintig euro.

"We mogen deze armbandjes nooit meer afdoen. Begrepen?"

"Ik begrijp het."

"Nee, serieus. Ik maak geen grapje. Normaal is een armbandje gewoon een sieraad, maar deze twee armbandjes vormen samen de navelstreng van ons geheugen."

Als de man klaar is met vlechten, zijn de meisjes niet blij met het resultaat. Ze eisen een gratis rieten hoedje. De vlechter geeft zijn laatste rieten hoedje aan het meisje dat het kwaadst oogt en loopt verslagen in de richting van het volgende badlaken.

De man kijkt naar de zee. In de verte ziet hij minstens vijf cruiseschepen die de horizon dwarszitten.

"Jij mag straks het hoedje op, hoor."

"Ik heb een idee. Wie het hoedje op heeft, mag beslissen wat we gaan doen."

"Dan gaan we cheeseburgers eten."

De taxichauffeur heeft het over Picasso, maar de meisjes luisteren niet. Ze hebben allebei weer een arm uit het raam gestoken. De wind staat nog steeds aan hun kant. De kraalvlechtjes tikken tegen de neplederen achterbank van de Seat Leon aan.

Achter de bar van het eetcafé staat de knapste zoon van de eigenaar. De jongen draagt een wit overhemd.

"Ik ben verliefd," zegt het jongste meisje.

"Ik ook. Die jongen heeft tatoeages en oorbellen. Hij voldoet dus aan al mijn eisen, maar jij hebt het hoedje op. Jij beslist. Jij mag met hem tongen."

"Ik wil niet met hem tongen. Weet je wat ik wil? Ik wil nu wegrennen."

"Zonder te betalen?"

"Ja."

"Op teenslippers?"

"Die laten we gewoon hier. Ik tel tot drie."

In de politieauto legt het jongste meisje haar hoofd in de schoot van haar hartsvriendin.

"Nou, kleine, het ziet ernaar uit dat we maandag gewoon weer naar school moeten."

"Ik wil niet."

"We zijn zestien jaar oud, we hebben helaas niets te willen."

"Maar we hebben het wel fucking mooi gehad, hè?"

"Belachelijk mooi. Beethoven componeerde op dertienjarige leeftijd zijn eerste pianoconcert. Dit was ons eerste pianoconcert."

Ze vragen aan de politieagent of de autoramen misschien open mogen, zodat ze voor de laatste keer een arm naar buiten kunnen steken.

De raampjes gaan naar beneden, maar de meisjes weten dat de wind nooit meer hetzelfde zal voelen. Het rieten hoedje waait naar buiten. De meisjes kijken elkaar aan. Die verdraaide wind heeft toch weer een kant gekozen.

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns terug. Reageren? james@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden