Maarten MollBeeld Sjoukje Bierma

De man stapt van zijn fiets en begint zich af te pellen

PlusMaarten Moll

Dat de man niet smelt. Een dikke regenjas, handschoenen, mondkapje, pet. En de zon maar schijnen.

Hij is net van zijn fiets gestapt, en kijkt uit over het grote grasveld.

Dan begint hij zich af te pellen. Handschoenen op de bagagedrager, pet aan het stuur, mondkapje over de koplamp.

Uit de regenjas komt een man van een jaar of 75 tevoorschijn. Dik pak wit haar.

Met de jas in de hand loopt hij het grasveld op, spreid hem uit, knoopt zijn overhemd een stuk open, en gaat op de jas liggen. Spreid zijn armen om maar zoveel mogelijk warmte te vangen.

Ik roep nog, maar opvanghond Bep is al ter plaatse, en gaat vlak voor de man heel aanstellerig over de grond liggen rollen.

Als ik Bep ga halen, en ik dichterbij kom, steekt de man met een vriendelijk gezicht afwerend een hand op. Ik blijf op een paar meter van de man staan.

“Ik ben voorzichtig. Ik mag nog niet dood.”

Door het zware accent waarmee hij spreekt klinkt het niet pathetisch.

“Mijn vrouw,” zegt de man. “Ze heeft maar één been. Suikerziekte.”

We raken in gesprek. Hij is laat in de jaren zeventig naar Nederland gekomen. Heeft gewerkt op de NDSM-werf. Tientallen jaren. Leidingen. Hij had een werkplaats met alle soorten en maten buizen, verlengstukken, opzetstukken, en potten met verschillende soorten smeervet.

“Ik heb mezelf onmisbaar gemaakt,” zegt hij. Ik zie een trotse man.

Verhalen over schepen en zaagincidenten. Soms begrijp ik hem niet, en knik ik toch dat ik hem begrijp.

“Ik heb Cruijff nog in Sofia zien spelen,” zegt hij.

Een verder gesprek over voetbal verzandt, en we zeggen een tijdje niets.

“Wat doet u de hele dag?” vraag ik.

“Ik zorg voor mijn vrouw. Ze zit in een rolstoel. En als ze in de middag slaapt, ga ik naar buiten. Soms koop ik een ijsje.”

Onder zijn linkeroog zit een lelijk litteken.

“En ik denk veel aan Sofia.”

“Daar ben ik nog nooit geweest,” zeg ik.

De man zwijgt.

“Zijn daar ook van die mooie parken?”

“Alle parken lijken op elkaar,” zegt hij.

De prijs voor de droefgeestige uitspraak van de dag.

Ik wil iets opbeurends zeggen, maar kan zo snel niets verzinnen. En mooie schoenen draagt hij niet.

Bep gaat er ineens vandoor. Ik sta op.

“Tot ziens,” zegt de man.

“Ik ben zo terug,” zeg ik.

Als ik de hond eindelijk te pakken heb, en me omdraai, is de man toch verdwenen.

Waarom heb ik hem niet naar zijn naam gevraagd?

Maarten Moll schrijft over dagelijkse beslommeringen in de stad. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? m.moll@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden