Natascha van Weezel Beeld Agata Nowicka

De man met de wietmuts en ik wachten op de hulpverlener

Plus Natascha van Weezel

Het is al elf uur ’s avonds als ik naar huis wandel. Mijn werkbespreking is pas net afgelopen. Ik ben doodmoe en heb een rotdag. Niet alleen omdat het pijpenstelen regent, maar vooral vanwege een zeurderig gevoel van eenzaamheid. Daar veranderde een lange vergadering met een grote groep mensen niets aan.

Bij de Hemonylaan in Zuid hoor ik hoe ik achtervolgd word door voetstappen. Verder is de straat uitgestorven. Ik draai me om en zie een man. Hij draagt een muts met daarop een afbeelding van wietplanten. Zijn joggingpak zit onder de vlekken en aan zijn blote voeten bungelen badslippers. Hij houdt halt bij een vuilnisbak en rommelt erin, terwijl hij op onheilspellende wijze fluit naar niemand in het bijzonder. Ik ben een beetje bang en probeer me uit te voeten te maken.

Ik glijd half uit over de natgeregende herfstbladeren die de grond oranje-geel kleuren en kom vloekend tot stilstand. Gelukkig kan ik mijn evenwicht nog net bewaren. De man kijkt me nieuwsgierig aan. Het valt me op dat zijn donkere pretoogjes stralen. “Kan ik u ­helpen, mevrouw?” vraagt hij vriendelijk. Ik schud mijn hoofd en versnel mijn pas. Hij komt naast me lopen. “Misschien kunt u mij dan helpen. Weet u misschien waar ik woon?” Ik blijf staan en schud mijn hoofd opnieuw. Langzamer dit keer.

“Mag ik dan een stukje met u optrekken?” vraagt hij. Hij lijkt me bij nader inzien ongevaarlijk en ik maak een uitnodigend gebaar. “O ja, ik woon in de Diamantbuurt,” merkt hij op. Bij de kruising met de Van Woustraat kan ik nog net voorkomen dat hij wordt over­reden. “Sorry,” zegt hij. “Ik ben de verkeersregels vergeten, mijn hoofd doet soms zo raar.” De auto­mobilist steekt zijn middelvinger op en scheurt weg in een dikke BMW.

We vervolgen onze weg over de Albert Cuypmarkt, waar op dit uur geen kraam meer te bekennen is. “U komt zeker van uw werk?” merkt de man op. Ik knik. “Vroeger werkte ik ook in de avonden, als piloot. Maar nu heeft niemand nog iets aan me.” Hij denkt even na en vraagt dan nogmaals: “Weet u ­misschien waar ik woon?”

“In de Diamantbuurt?” probeer ik voorzichtig. De man toetst een nummer in en duwt zijn telefoon in mijn hand. Ik krijg ene Henk aan de lijn. Henk blijkt de bewaker van een verzorgingshuis: “Fijn dat u meneer Kromowidjojo heeft gevonden. Onze alzheimerpatiënten mogen ’s avonds niet alleen over straat.”

De man met de wietmuts en ik wachten totdat de hulpverlener hem komt halen. We zeggen niets, maar af en toe lachen we naar elkaar.

Natascha van Weezel (33) is journalist. Elke dinsdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden