Maarten Moll. Beeld Sjoukje Bierma
Maarten Moll.Beeld Sjoukje Bierma

De man maakte zijn grap: ‘Kon je het niet ophouden?’

PlusMaarten Moll

De man hield zijn pas in.

De man stopte.

De man ging er eens goed voor staan.

Grote glimlach.

Joviaal type. Over de helft van zijn leven aanbeland. Shirt over zijn broek. Bruine kop. Polstasje.

Om alles lachen, tot je per ongeluk zijn auto zou aanraken.

Ik zat op mijn knieën in de deuropening van de flat.

Met een bakje sop en een sponsje.

De man volgde met zijn ogen een geel spoor. Vlak voor zijn voeten lag een plasje.

“Kon je het niet ophouden?”

Onder het bulderende gelach kon ik zo snel geen snedig antwoord verzinnen.

Ik kneep de spons uit boven het bakje, waar niet zo heel lang geleden de heerlijke roti van Bogor Permai in had gezeten.

Maandagavond kregen we een telefoontje. Spoed­geval. Of we dinsdag een hond konden opvangen tot er een baasje was gevonden. Hadden we al eerder gedaan. Laat maar komen. ’s Ochtend nog op Lesbos, laat in de middag voor de deur. Zeven maanden oud.

Fred.

Fred was nog niet helemaal op de hoogte van de regels omtrent binnenshuis plassen en poepen. Deze ochtend dachten we droog tenminste de straat te kunnen bereiken, maar in het zicht van de haven ging het toch mis.

Ik sopte de drempel.

De man keek het aan. De man had zijn grap gemaakt. Maar hij maakte geen aanstalten verder te lopen.

“Kun je bij mij thuis ook effe komen soppen?”

Weer dat onbedaarlijke hinniken.

Weer wist ik niets te zeggen. Het was zijn feestje.

“Ik rij m’n auto wel effe voor, kun je die ook doen.”

Daar ging zijn buik weer op en neer.

Een dame met een keurig hondje keek om.

Toen moest ik ook lachen (maar zacht en onopvallend), want tegen mensen die zo hard om hun eigen grappen moeten lachen ben ik weerloos.

Ik boende verder.

Een spoor water liep recht op de man af. Alsof het lava was danste hij theatraal van het stroompje weg, nog net niet gillend.

Ik zocht verder naar sporen van Fred.

De man kwam een stapje dichterbij.

“Heb je misschien een rode kat gezien de laatste dagen? Met een korte staart? Hij is al een paar dagen zoek,” zei de man plots op serieuze toon.

Hij haalde een stuk papier uit zijn achterzak, vouwde dat open. Een foto van de rode kat.

“Snorkie.”

Ik schudde mijn hoofd.

“Bij mij,” hij wees naar een plek die ergens achter het verzorgingstehuis moest liggen, “zijn ze aan de straat bezig. Volgens mijn vrouw heeft die tee… dat klagerige mens van tegenover Snorkie in het natte cement gegooid.”

Hij keek naar de foto.

De grappen hadden hem uitgehold. Hij zag er nu uit als een boom die op omvallen stond.

“Echt niet?”

“Sorry,” zei ik.

“Je bent al de zoveelste,” zei hij.

Het leek of hij de foto aaide, toen liep hij door.

Ik kneep het sponsje uit en gooide de inhoud van het rotibakje leeg over de stoep.

Maarten Moll schrijft over dagelijkse beslommeringen in de stad. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? m.moll@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden