Column

De maan was die nacht gelukkig verre van lama-achtig

James Worthy. Beeld Agata Nowicka

De tram rijdt door mijn oude buurtje. Alles is anders, maar de snackbar zit er nog. Zo gaat het met alle oude buurten. Alles verdwijnt, behalve snackbars. Alleen snackbars blijven bestaan.

Ooit, als de wereld vergaat - en laten we eerlijk zijn, de wereld zal ooit vergaan - zal er tussen de smeulende kruimels en de rokerige resten, op de hoek van Destructie en Weggevaagd, nog een halve snackbar te zien zijn. Op het ingedeukte rolluik staat een piece van Delta, Sender of Cece. En dan begint het patatvorkjes te regenen.

Ik kijk mijn oude straat in en zie tien jaar geleden. De geblokte keukenvloer. De poes die ik in huis haalde, omdat ik last had van muizen. Nee, de poes die ik in huis haalde, omdat ik niet alleen kon zijn. God, wat was ik blij met haar kattenharen. Ik zoog ze elke ochtend op alsof ze door een mens waren achtergelaten.

Op de eerste dag dat ik in het zijstraatje van de Czaar Peterstraat sliep, zag ik vanuit mijn slaapkamerraam een auto-inbraak plaatsvinden. Twee jongens tikten met bakstenen een nieuwe opening in een Alfa Romeo. Het zag er eigenlijk best teder uit.

Ze gooiden de stenen niet, nee, ze tikten ermee. Het was je reinste stenografie. Ze tikten wat de straat hun influisterde. En na de ­inbraak liepen ze rustig weg. Ze waren niet bang om ­gepakt te worden, nee, ze hadden alle vertrouwen in zichzelf en in het duister van de nacht.

In de ochtend kwam ik mijn buurman tegen op straat. Hij was het glas dat gisteren nog bij zijn auto hoorde aan het opvegen. Ik vroeg hem of er veel weg was. Hij antwoordde dat hij het oprecht niet wist, omdat hij niet meer terug kon halen wat er allemaal in zijn auto had gelegen.

Maar het allerliefst keek ik uit mijn dakraam. Dan keek ik over de parkeerplaats heen naar het grote ­gebouw. Het gebouw van De Persgroep. Het gebouw waarin alle kranten zaten waar ik voor wilde schrijven.

Ik kan me nog een keer voor de geest halen dat ik met een bevriende rapper uit het dakraam hing. We dronken kerstpakketwijn en droomden in canon. We spuugden onze dromen in de richting van de maan.

Hij wilde kleding ontwerpen en ik wilde de huur kunnen betalen met schrijven. En hij wilde de nacht inruilen voor een gezin. Ik ook. En we wilden meer wijn. Veel meer wijn. Samen keken we naar de maan. We keken of ze onze dromen terug spuugde, maar de maan was die nacht gelukkig verre van lama-achtig.

Vorige week kwam ik hem tegen op Centraal Station. Al zijn dromen waren uitgekomen en die van mij ook.

Ik had een trui van hem aan. Er trok een zoontje aan zijn arm. In de halte van tram 26 zat een vrouw Het ­Parool te lezen. En mijn eigen zoon was het aantal trams op zijn vingers aan het tellen.

"Wie was die man op het station?" vroeg mijn zoon toen ik hem die avond naar bed bracht.

"Dat is een vriend van papa."

"En waarom zijn jullie vrienden?"

"Omdat we ooit een keer, vanuit het dakraam van mijn oude huis, een nieuwe opening in de maan hebben getikt."

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns hier terug.

james@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden