Maarten Moll. Beeld Sjoukje Bierma
Maarten Moll.Beeld Sjoukje Bierma

De linkerschoen zat nog aan de fiets vast

PlusMaarten Moll

Het bloed schitterde in de zon.

De man lag op de klinkers, met zijn fiets aan zijn voet. Twee omstanders die hem overeind hielpen, in de Gasthuismolensteeg.

Alleen zijn linkerkant was gehavend. Ik zag schaafwonden op zijn elleboog, knie en enkel. En een straaltje rood dat vanuit zijn wenkbrauw over zijn wang liep.

Hij keek naar zijn fiets, die midden op straat lag. Deed een paar stappen richting stoep, zijn fiets met zich meeslepend. Hij maakte een paar nijdige schoppende bewegingen met zijn linkervoet, maar de fiets wilde van geen wijken weten. Toen liep hij de stoep op, de fiets ging er als een anker achteraan.

Uit een winkel kwam een man met een natte lap.

De man, een vlotte, kortgekapte veertiger in een ­ha­waï­shirt en een korte broek, had zich ondertussen met zijn rechtervoet van zijn linkerschoen ontdaan. Hij maakte een sprongetje toen zijn blote voet in aanraking kwam met de hete stoeptegel.

De linkerschoen van de man, een rode Puma, zat nog aan de fiets vast.

Er zijn nog steeds delen van de wereld die geen naam hebben, bijvoorbeeld dat stukje tussen trapper en waar de trapper in de crank wordt gedraaid. Een gevaarlijke plek.

Het was duidelijk wat er was gebeurd. De witte veter van zijn schoen was in een omhelzing gegaan met de trapper, de schoen was bekneld geraakt, en de man was in zijn poging er iets aan te doen gevallen.

De man wikkelde de veter van de trapper. Een deel van de veter was zwart van de smeer. Hij trok zijn schoen weer aan. Legde een dubbele knoop. Ik zag dat hij het maar niets vond, zo’n bevuilde veter.

Hij was nu lid van een club.

Er fietsen er meer rond in de stad, maar je moet het zien. Het zijn van die tekenen die je meestal ontgaan. Ik draag het teken ook bij me, op de witte veter van mijn linker, grijze Adidas Samba.

En als ik mensen zie fietsen met losse veters, waarschuw ik ze meestal. Ik ga dan naast ze fietsen en wijs naar beneden.

“Je veter zit los.”

Ik word bijna altijd aangestaard alsof ik een heel slechte grap maak. Sommigen zijn er niet van gediend dat ik zo naast ze kom fietsen. Eén keer werd ik bijna voor een auto geduwd.

Een meisje begon heel hard te gillen.

“Haar veter zit los!” riep ik op mijn beurt heel hard, om maar niet de indruk te wekken dat ik iets anders van plan was geweest. Dreigende blikken. Snel een zijstraat ingeschoten.

“Ja, en?” heb ik ook gehoord.

Breek dan maar je polsen.

De man op de stoep in de Gasthuismolensteeg had het bloed van zijn lichaam geveegd. Hij gaf de besmeurde lap terug, bedankte zijn helpers, stapte op zijn fiets en reed stijf, maar zo waardig mogelijk de straat uit, richting nieuwe avonturen.

m.moll@parool.nl

Maarten Moll schrijft over dagelijkse beslommeringen in de stad. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? m.moll@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden