Column

De kapper vraagt of ik dit weekend nog iets ga doen

James WorthyBeeld Agata Nowicka

De kapper vraagt of ik dit weekend nog iets ga doen. Hij doet een kapmantel bij me om. Ik denk na over wat ik dit weekend moet doen en daarna probeer ik het zo snel mogelijk weer te vergeten.

Mijn favoriete weekenden zijn namelijk de weekenden die niets om het lijf hebben. Een nietsbetekenende zaterdag die opgevolgd wordt door een zondag met nog minder betekenis. Dat wil ik. Mijn vrouw, mijn zoon en ik.

Ongedoucht. Smetteloos gelukkig. We dragen pyjama's die vroeger sportkleding waren en eten doppinda's met alle gordijnen dicht. En zo baden we voor twee dagen lang in de onbeduidendste onbeduidendheid.

De kapper tikt tegen mijn linkerslaap aan en zegt dat mijn slapen langzaam grijs aan het worden zijn. Hij vraagt of ik dit erg vind. Ik zeg nee en dat ik simpelweg over te weinig vuisten beschik om ook maar te kunnen denken dat ik tegen de ouderdom kan vechten.

"Dit is de laatste keer dat ik je knip. Ik ga naar Nijmegen verhuizen."

"Wat leuk. Nijmegen is een mooie stad."

Maar eigenlijk vind ik het helemaal niet leuk. Dit is mijn kapper. Niemand begrijpt mijn schedel beter dan Geo van kapsalon Le Souk. Niemand veegt mijn haar zo prachtig op een hoopje als Geo. En niemand drukt de onrust en stress zo moeiteloos uit de zijkanten van mijn hersenen tijdens het wassen van mijn haar.

"Ja, Nijmegen," lacht hij.

"Ja, Frank Boeijen en zo."

Met zijn glimmende schaar knipt hij weer wat vorm in dat waar mijn verstand soms woont. Ik ben dol op mijn kapper. Eerst vond ik het vreemd dat hij kaal was, maar na de eerste knipbeurt vond ik zijn gebrek aan hoofdhaar juist een pluspunt. Je kunt pas echt van iets houden als je het niet meer hebt.

Ik kijk in de spiegel naar mijn kapper. Ik kijk naar hoe hij de tijd neemt en hoe hij mij keer op keer laat voelen alsof ik van een oud geslacht van prijswinnende poedels afstam. Hij ziet elk haartje dat uitsteekt. Ik denk dat sommige haartjes expres uitsteken. Ze willen door hem geknipt worden. Ze willen bij hem blijven. Ik denk dat de haren op mijn hoofd jaloers zijn op de haren die op de kappersvloer liggen.

"Ik ga je missen hoor. In Amsterdam zijn net zo veel snackbars als kapsalons en ik denk dat er net zo veel slechte kapsalons als slechte snackbars zijn. En jij bent de beste snackbar van alle kappers," zeg ik.

"Dat is lief, denk ik."

"Mag ik straks naar je kijken als je een net hoopje van mijn afgeknipte haren maakt?"

Ik kijk naar mijn haren die op de grond liggen. Ik heb ze nog nooit zo gelukkig gezien. Samen vormen ze een wonderschone vloerpruik. Een grondpels.

Ik droom weg als ik afreken. Eigenlijk wil ik dat Geo me in één van mijn oorlellen knipt. Niet diep, maar diep genoeg om een litteken achter te laten. Gewoon een klein geultje in het zachtste gedeelte van mijn rechteroor.

En als ik dan heel oud ben, als mijn grijze haren wit zijn geworden, ga ik met mijn vingertoppen over dat littekentje. En dan lach ik, en denk ik aan mijn kapper Geo die naar Nijmegen verhuisde.

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns hier terug.

james@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden