James Worthy. Beeld Agata Nowicka

De jongens hebben me nodig

Plus James Worthy

Het is nog vroeg. Ik sta op de tramhalte met een voetbaltas. De jongens hebben me nodig. Ze hebben iemand nodig. Gisteravond werd ik gebeld of ik zin had om te voetballen. Ik had zin, en ik heb het nog steeds.

Mijn voetbaltas is al zeker dertig jaar oud. Toen ik vanochtend mijn spullen in de tas stopte, vond ik een kwartje. Hij ruikt muf en er zitten scheuren in, maar ik kan hem niet weggooien. Soms moet je niet met je ogen, maar met je hart naar dingen kijken. Ik kreeg de tas ooit van mijn vader. We kochten hem in het Sportpaleis op de Jan van Galenstraat.

Als ik de tas draag, ben ik weer twaalf of dertien. Als ik de tas draag, kan ik nog profvoetballer worden. Ik rits hem open en ruik dat alles nog kan. Als ik de tas aanraak, verschijnen er jeugdpuistjes in het gezicht van mijn alleroudste dromen.

Ik loop over de Kruislaan in de richting van Sportpark Drieburg. Links ligt de Nieuwe Ooster. Tussen de begraafplaats en de voetbalclub in ligt alleen een weg. Onze dromen en het onvermijdelijke worden uit elkaar gehouden door asfalt. Als de dood straks op zijn tenen staat, kan hij mij zien scoren.

Het is druk in de kantine. Achter de bar staat een vrouw met getekende wenkbrauwen. Ze legt een servetje in een leeg patatbakje en op het servetje legt ze een aangebrande tosti. Een man van mijn leeftijd rekent af. Ik ken hem niet. Ik hoop dat hij mijn directe tegenstander is. Hij ziet eruit alsof hij graag in de tuin werkt. Hij ziet eruit als iemand die scheurkalenders koopt. Hij ziet eruit als iemand die lifters meeneemt. Steengrillen is zijn hobby. Hem kan ik hebben.

Mijn vrienden zitten aan een houten tafel in de hoek. Ik geef ze allemaal een knuffel. Iedereen ruikt naar shotjes en deodorant.

“Waar zijn jullie gisteren geweest?” vraag ik.

“Thorbecke.”

In de kleedkamer ruikt het naar oude scheenbeschermers en tijgerbalsem. Ik tel de koppen. Verdomme, we zijn met elf man. Geen wissels.

De scheidsrechter draagt een spijkerbroek. Mijn directe tegenstander is een gozer van twee meter lang. Hij ziet eruit als iemand die weet hoe een gevangenisbed ligt. Ik kijk naar zijn benen. Mijn directe tegenstander draagt geen scheenbeschermers.

“Waarom zou je je schenen niet willen beschermen?” vraag ik aan onze linksachter.

“Kijk hoe die gast eruitziet. Hij hoeft helemaal niets te beschermen.”

Er staat niemand langs het veld. Meer amateur dan dit gaat amateurvoetbal niet worden.

In de twaalfde minuut krijgen we een hoekschop. Paultje legt de bal neer. Ik weet eigenlijk niet waarom Paultje altijd de hoekschoppen neemt. Hij heeft wel mooi haar. Dat wel. Misschien is dit een nieuwe regel of zo. Dat de speler met het beste kapsel de corners moet nemen.

De bal zweeft door de lucht. Het is geen lekkere bal.

De scheidsrechter heeft hem te hard opgepompt. Ik wil niet koppen, maar ik moet het doen. Mijn tegenstander prikt, port en wurgt me, maar ik ruik gras. Als ik gras ruik, wil ik winnen. Ik spring en kop de bal langs de man van de scheurkalenders. Hij ligt op de grond als gisteren. Mijn vrienden juichen. Ze proberen me op te tillen, maar ik ben te zwaar. Ik wijs met twee wijsvingers in de richting van de Nieuwe Ooster. Ik hoop dat de dood me heeft gezien.

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns hier terug.

Reageren? james@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden