Femke van der Laan.Beeld -

De haren van de jongste zijn kort geknipt

PlusFemke van der Laan

De jongste houdt zijn handen over zijn oren. “Koud,” zegt zijn mond. Ik zie alleen zijn lippen bewegen. Het woord zelf wordt overstemd door het geluid van wind en water en de motor van de boot waarop we zitten. Hij lacht. We gaan hard.

Drie dagen geleden zaten we bij de kapper. Eindelijk. In de weken ervoor hadden we zinnetjes naar elkaar gegooid. “Je haar wordt lang.” “Ik moet naar de kapper.” Eerst af en toe en toen steeds vaker. Tot we gingen. Tot we de herinnering dat iemand het leuker vond als het lang was eventjes opzij konden leggen.

De kapster had zijn oren tevoorschijn geknipt. En zijn wenkbrauwen. Op de terugweg zei ik dat ik dacht dat ze Zweeds was. Omdat haar ‘hoi, hoi’ meer klonk als een ‘hej, hej’. De jongste dacht van niet. Omdat haar haren te donker waren om Zweeds te zijn. We probeerden elkaar te overtuigen. Tot we bij de hoek waren en we de wind in liepen en er handen over oren werden gelegd.

“Koud.”

Nu zijn we een paar dagen in de andere stad. De stad met de grote rivier. De echte rivier. De rivier waar je met een bootje overheen kunt scheuren.

De schipper had ‘hoi, hoi’ gezegd. Het had Zweeds geklonken, maar zijn haren waren donker. Ik liet het erbij. Hij had gevraagd waar we heen wilden. “Nergens heen,” had ik geantwoord. “We willen alleen maar hard.” Dus nu gaan we hard. De rivier over. Terwijl de jongste zijn handen over zijn oren houdt en zijn mond ‘koud’ laat zeggen. We gaan onder de witte brug door en onder de rode brug door en dan weer terug. Met een scherpe bocht. Het stuiteren van het bootje op de golven zorgt ervoor dat we alle vier moeten lachen. Boven de wind en het water en de motor uit.

Als we weer onder de witte brug door zijn, laat de jongste zijn handen zakken. Ik kijk naar zijn oren en naar zijn wenkbrauwen en naar de haren van de andere twee en naar het eerste kwartier van de nieuwe maan in de verte en naar de andere stad en naar het jaar dat voorbij is en naar het jaar dat nog moet beginnen en ik voel me eindejaarsdroevig tot het bootje weer over zijn eigen golven vaart en we weer stuiterend lachen en ik weer weet dat we zouden kunnen blijven varen tot het weer licht wordt.

De jongste wijst naar zijn voorhoofd. “Ook koud,” doen zijn lippen.

In mijn hoofd gooi ik een zinnetje terug; het wordt vanzelf weer langer.

Femke van der Laan is journalist. Wekelijks schrijft ze een column voor Het Parool. Lees al haar columns hier terug.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden