Column

De grond, mijn enige vriend, stelde geen vragen

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (35) probeert in Het Parool van maandag, woensdag en vrijdag iets van het leven te begrijpen.

James Worthy Beeld Agata Nowicka

In een portiekje naast de supermarkt zitten vier scholieren. Op de stoeptegels voor de portiek glinstert een omvangrijke plas speeksel. Meisjes giechelen, jongens spugen. Ze spugen zo veel mogelijk en zo ver mogelijk. De meeste klodders komen van diep. Overdreven diep. Je kunt de puberrochel dan ook makkelijk herkennen aan het soms nog natrillende lichtgelige slijmhartje.

De jongens zitten rustig in de portiek. Ze praten over meisjes en duwen hun handen in zakken chips die ze nooit helemaal opeten. Maar ik ken dit soort jongens, ik was zo'n jongen. Deze jongens zitten niet rustig in een portiek, nee, ze wachten en ze schuilen. Als aasgieren met een probleemhuid cirkelen ze boven de eerste de beste nietsvermoedende 'zwakkeling' die langsloopt.

Een jongetje komt de supermarkt uit op vooroorlogse gympen, op zijn vettige neus rust een soort uniseks squashbril. Hij kijkt naar de grond met een mueslireep in zijn mond. Ik ken deze jongen, want ooit was ik deze jongen. Vier jaargetijden lang keek ik onafgebroken naar de grond. Want de grond stelde geen vragen. En op de grond waren geen spiegels. De grond was mijn enige vriend. Ik keek op naar de bodem.

De jongens verlaten de portiek en beginnen direct met pesten. Ik haat het woord pesten, want het dekt de lading niet. Pesten, treiteren, sarren - het klinkt allemaal veel te licht.

"Ik word gepest." Nee, je wordt aangevallen op alles wat je bent en hebt. Het is inbraak. Het is oorlog. Je boort gaten in iemands levensweg. Het is diefstal. Mensen joyriden doodleuk in andermans ongeluk. En dan noemen ze het pesten? Dat is hetzelfde al dat je compleet in elkaar wordt geslagen en dat mensen dan gaan zeggen dat de daders je kietelden.

De jongens beginnen over de gympen van hun slachtoffer.
"Waar heb je die schoenen gekocht? Bij de antiekwinkel?"
Het jongetje kijkt naar de grond en loopt door.
"Serieus, zijn dat de hardloopschoenen van Julius Caesar?"

Het jongetje begint te rennen. Over de brug. Langs de bakker. Door het park. De pestkoppen proberen hem bij te houden, maar het jongetje rent te snel. Wat begon als vluchten is een aanloop geworden. Ze probeerden hem neer te halen, maar het jongetje rent zo snel dat hij straks gaat opstijgen.

"Man, wat ben jij snel. Wil je in ons voetbalteam?" schreeuwt de judas met de kortste benen. Hij heeft chipskruimels in zijn mondhoeken. Maar het jongetje rent gewoon door. Langs de kerk. Over de tramhalte. En door de voetgangerstunnel. Hij houdt helemaal niet van voetbal, hij houdt van rennen.

Kijk hem gaan op die stoffige gympen. En dan blijft het jongetje heel even staan en kijkt naar zijn achtervolgers, maar hij ziet ze niet meer. Het jongetje kijkt recht door ze heen. Hoe kan ik zwak zijn, als vier zogenaamd sterke jongens mij niet kunnen pakken? denkt hij.

Het jongetje glimlacht en kijkt voor de laatste keer in zijn leven naar de grond. Hij neemt afscheid van de grond en rent zo snel als hij kan terug naar school.

james@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden