Theodor HolmanBeeld Artur Krynicki

De echte slapjanus zat naast hem, dat was ik

PlusTheodor Holman

Toen ik in de tweede klas van de middelbare school zat, had ik een vriend die heel goed was in zwemmen. Hij vroeg me een keer mee te gaan naar zijn training.

Samen met zijn ouders reden we naar een zwembad op een uur rijden van Amsterdam. Mijn hoofd was destijds vol van The Beatles, het hoofd van mijn vriend was vol van schoolslag, vlinderslag en borstcrawl.

Waarom hij wilde dat ik meeging, weet ik tot op de dag van vandaag niet. Ook niet waarom ik zei: “Ja, lijkt me leuk.”

Het was in die auto of ik in een rijdende martelkamer zat. Zijn vader en moeder, beiden bekende zwemmers, leken door een megafoon met hun zoon te spreken. Een conversatie die alleen maar bestond uit gescheld en vernederingen.

“Je hebt gisteren weer niet getraind… Je hebt totaal geen discipline… we moeten er maar mee stoppen, want je bent een slap­janus!”

De echte slapjanus zat naast hem, en was ik.

In het zwembad lieten de ouders mij gelukkig aan mijn lot over. Ik ging op een stoel zitten en richtte mijn aandacht op mijn vriend. Er klonk constant geschreeuw van een man in een witte broek die op de rand van het bad naast hem liep. De ouders van mijn vriend hadden beiden zwemkleding aangetrokken, waren in het zwembad gesprongen en zwommen af en toe naast mijn vriend. Ook zij schreeuwden naar hem.

Op een gegeven moment stond mijn vriend bibberend aan de kant en werd hij door drie mensen, waaronder zijn ouders, overladen met hoon, waarna hij weer het water in werd gevloekt.

Soms was hij zo moe dat hij even niet verder kon. Dan trokken zijn lieve moeder en zijn aardige vader hem weer terug het water in.

“Hoe vond je het, Theo?” vroeg de lieve moeder toen we op weg naar huis waren.

“Leuk,” zei ik.

“Zou je ook niet willen zwemmen?”

“Nou misschien wel, mevrouw.” Een beetje liegen om niemand te kwetsen, is een vorm van beleefdheid.

Mijn uitgeputte vriend viel op de achterbank in slaap.

Thuis was ik geheel van de kaart.

“Hoe was het?” vroeg mijn moeder.

“Leuk,” zei ik.

“Wil je ook zwemmen?”

Ik schudde mijn hoofd.

“Maar je moet aan sport doen, Theodor!”

Die schoolvriend is twee jaar later tweede bij de Amsterdamse kampioenschappen geworden, waarna zijn vader hem waarschijnlijk heeft lekgeprikt en hij gezonken is.

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? t.holman@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden