Roos SchlikkerBeeld Lin Woldendorp

De e-mailpoëzie van tante Corine

PlusRoos Schlikker

Er rijdt een tandem door de velden. Voorop zit een bij, achterop een egel. De egel murmelt. Over vroeger. Over familie. Als je hem vraagt hoe het met hem gaat, bromt hij: “Rommelig.” De bij neuriezoemt intussen een vrolijk liedje in majeur. Soms smijt ze wat stuifmeel uit over de velden. De lucht nevelt geel om haar heen.

Eigenlijk had ze in Amsterdam moeten zitten. Mijn tante Corine. Ik had een hotelletje voor haar en haar dochter geboekt, ze verheugden zich erop. Maar in april kreeg ik een mail: ze dorst het niet. Niet dat ze de straat niet meer opging. Als altijd hielp ze oudjes op haar galerij door voor ze te koken, ze deelde stickers uit en chocolaatjes aan wie ze wilde ontvangen. Praatje hier, schater daar. Corine heeft de gave het gewone om te smelten tot poëzie, bijvoorbeeld als ze me zinnetjes schrijft over mijn moeder (‘Ze had ruimte nodig om op te stijgen en neer te zijgen, soms ben ik blij dat ze nu niet meer moe van zichzelf kan zijn, soms mis ik mijn familiebanden, de vetertjes van Emmeke.’)

Zo hakkeldetakkelt ze voort. In de mails die ze stuurt, in de mensen die ze bezoekt. Bij iedereen laat ze iets achter. Als altijd. Maar het was niet als altijd, schreef ze. ‘Ik kwam een oud Indisch dametje tegen dat het vogelbestand keurige blokjes brood sierlijk toesmeet. Lief. Ik haalde een paar pepermuntjes uit mijn zak en bood haar dat aan. Met de handen omhoog, bevend van dramatiek gilde ze: ‘Corona!’ En helemaal geschrokken zei ik: ‘Nee. Het is CORINE!’’

Ze kon erom lachen. Zoals ze om alles lacht. Maar twee weken Mokum was voor haar een brug te ver. Nu ging Corine naar haar broer, mijn autistische oom Nico. Ze hadden in de tuin van de instelling gezeten, met uitzicht op Nico’s medebewoners die op een tandem mochten rijden. Ze had Nico gevraagd of hij dat ook durfde. ‘Ja hoor. De benen waren door dat fietsen gespierd, de bovenkant is mager en gebogen, Nico kruipt langzaam in elkaar. Als een menselijke egel.’

In de tuin was er rust, luwte. Nico zat op zijn praatstoel. Corine veegde goedmoedig af en toe het speeksel van de kin van het kromme egeltje. ‘Ik liet hem mijn nieuwe minihoorapparaatjes zien. ‘Wat klein’, zei hij gevat, waarna hij onmiddellijk duidelijker ging praten en de hele voorouderlijke lijn weer uren werd door­gezaagd tot zijn memorabele genoegen. Mooi toch, daar heb je een deelbare zus voor.’

Een deelbare zus. Een deelbare tante. Mededelen, Corine kan het in alle betekenissen van het woord. Uiteindelijk moest ze naar huis. ‘Ineens stond de tweelingfiets voor mijn neus en werd me een rit naar het station aangeboden.’

Reed Nico met haar mee? Ik weet het niet, de volgende alinea in Corines mail gaat alweer over iets anders. En toch, sinds ze me schreef, zie ik ze rijden. De bij die zoemneuriënd doortrapt. En het egeltje, gebogen tegen haar rug. Broer en zus. Ondeelbaar. De zomer tegemoet.

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken. Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Reageren? r.schlikker@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden