James Worthy Beeld Agata Nowicka

De drie dakdekkers hebben mij helemaal niet nodig

Plus James Worthy

Er lopen drie dakdekkers door mijn huis. Op het zilveren busje dat op de stoep staat geparkeerd, staat dat ze uit de Zaanstreek komen. Het zijn grote mannen. Ze ruiken naar rook en tijgerbalsem.

“Willen jullie koffie?” vraag ik vanachter het keukenblok, waardoor ze niet kunnen zien dat ik op mijn tenen sta.

De kleinste reus pakt een thermoskan uit een tas en tikt er twee keer op. De mannen hebben mij helemaal niet nodig.

Ik neem plaats op mijn bureaustoel en klap de laptop open. Pas als ie aanstaat, zie ik de vlekjes op het scherm.

Links van mijn laptop staat een mok waarop staat dat ik van de stad Madrid houd. Dat is niet waar, maar toen ik er was kon ik geen mok vinden waar de waarheid op stond. Ik vind Madrid gewoon een leuke stad. Dat is de waarheid. Ik houd van Amsterdam. Met Madrid ga ik twee keer vreemd in een Ibis-hotel nabij het vliegveld. Puur uit verveling is heel iets anders dan uit pure liefde.

De drie dakdekkers sjouwen en zwoegen. Eigenlijk wil ik vragen of ik mee moet helpen, maar waarom zou ik dat vragen? Ze helpen mij ook niet met het verzinnen van een titel voor deze column. Ik besluit ze niet te helpen. Maar ik blijf wel naar ze kijken, terwijl ik doe alsof ik hard aan het werk ben.

Het zijn mooie mannen. Ze horen op een kalender thuis. Je hebt mannen die op kalenders staan en je hebt mannen die kalenders kopen.

Met vlammenwerpers lopen ze over het dak. En ik druk op een spatiebalk. Ik ben dol op mijn werk, maar ik moet alleen niet naar andere werkende mensen kunnen kijken, terwijl ik aan het werk ben. Dan ga ik me inleven en vergelijken. Alles wat ik niet ben, is alles wat ik wil zijn.

De dakdekkers zijn aan het lunchen op het dak. Ze eten twaalf boterhammen per persoon. Ik ben aan het lunchen achter mijn bureau. Ik eet drie speltcrackers met hummus.

Af en toe kijken de dakdekkers ook naar mij. Ik ben ­benieuwd wat ze zien. Een boekhouder of zo’n bitcoinfiguur? Ik trek aan mijn baard en hoop dat de woorden thuis zijn. Er verschijnt een zin in mijn hoofd. ‘Het gaat erom hoe je door de regen loopt.’ Ik kijk naar de drie mannen. Ik denk dat ze altijd waardig door de regen ­lopen. Kin omhoog, grote stappen. Het zijn maar druppels. Ze schuilen niet. Ze zijn niet vergeten dat de mens waterdicht is.

Ik heb nog maar een paar zinnen nodig en dan ben ik vrij. De dakdekkers daarentegen zijn nog lang niet klaar. Misschien moet ik meehelpen. Nee, ze hebben mij niet nodig. Ik ben anders gebouwd. Ik dek geen ­daken, ik staar naar plafonds. Ik kijk naar muren en maak boeketten van alle muurbloempjes.

De grootste reus loopt mijn kamer binnen en komt naast me staan. Hij ruikt naar nieuwe snelweg.

“Zou ik even van het toilet gebruik mogen maken?” vraagt hij.

Ik ga op mijn tenen staan en wijs naar een deur.

Hij geeft me een schouderklopje.

Voor even ben ik dakdekker.

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns hier terug.

Reageren? james@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden