Column

De Dam is op zijn mooist als hij leeg is, maar is nooit leeg

James WorthyBeeld Agata Nowicka

Het is woensdagnacht. Café Casablanca is maar voor de helft gevuld. Een vrouw is haar verjaardag aan het vieren. Ze is iets in de dertig geworden en draagt een mooi zomerjurkje.

In de hoek staat een Engelse toerist op het randje van een black-out te balanceren. Hij hoeft nog maar drie slokken te nemen en dan omhelst de zorgeloze vergeetachtigheid hem net als gisternacht en de nacht daarvoor.

Een andere toerist staat op het karaokepodium een liedje van Phil Collins te verminken met zijn stembanden.

Ik loop naar buiten en biets een sigaret bij de eerste de beste roker die langsloopt. In 2015 stopte ik met ­roken, maar op de Zeedijk gelden andere regels. Op de Zeedijk zijn we allemaal matrozen zonder boot. Verdwaald en bronstig. Op de Zeedijk kun je alles laten ­varen. Je kijkt er alleen naar morgen als morgen op de bodem van het glas ligt waar je te diep in kijkt.

Op de Zeedijk vaar je van Casablanca naar San Francisco in een paar bochtige passen. Als de zeelui zeemoe zijn, varen ze naar de Zeedijk. Op de Zeedijk is het zoeken naar de schat precies dat wat de schat is.

Mijn neef en ik staan op het karaokepodium en horen de beginklanken van een vergeten klassieker. Een Reviaans meesterwerk. Sisqo - Thong Song. Ik zing de sterren van de hemel, maar mijn neef zingt ze weer terug de hemel in. We zijn compleet de schaamte voorbij.

Als het moeilijkste stuk van het liedje nadert, zak ik door mijn knieën en produceer het mooiste geluid wat ik ooit heb gehoord. Ik zing zoals de deurbel van de hemel zou moeten klinken.

We lopen naar buiten. De handrem die eerst op de nacht zat, zit er niet meer op. Mijn neef en ik zijn zeemannen geworden. Vanuit ons kraaiennest kijken we neer op de nacht die we tot zinken willen brengen.

Twee uur later neem ik afscheid van mijn neef. Hij fietst naar Amsterdam-Noord en ik begin aan mijn wandeling door de nacht die we niet tot zinken hebben weten te brengen.

De woensdagnacht is een donderdagochtend geworden. Alle onverantwoordelijke mensen vluchten naar huis, snel, voordat de verantwoordelijke mensen ontwaken en de onverantwoordelijken weer door hun eigen schaamte worden ingehaald.

Ik moet plassen en zoek naar een grachtenboom die dik genoeg is om mezelf achter te kunnen verstoppen. Voordat ik mijn blaas leeg, zeg ik sorry tegen de boom.

Ik sta op een lege Dam. De Dam is op zijn mooist als hij leeg is, maar de Dam is nooit leeg. Nooit, behalve nu.

En dan zie ik het. Ik kijk omhoog, naar het dak van het ­Koninklijk Paleis. Ik zie zeegod Neptunus en ik zie heel veel goud. Ik zie zeepaarden die op eenhoorns lijken. Hun gouden hoornen lijken oneindig te zijn. Het mooiste lelijkste plein van de stad heeft prachtige oorbellen die ik vannacht voor de eerste keer zie.

Volkomen tevreden loop ik richting de Raadhuisstraat. Iedereen die op me afloopt, is dronken. Iedereen die op me afloopt, is een bedreiging. Maar ik ben niet bang.

Met behulp van de god van de golven loop ik over de grachten. Ik ben niet bang. Ik ben een zeeman van de stad en Neptunus is met mij.

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees hier al zijn columns terug. Reageren? james@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden