James Worthy.Beeld Agata Nowicka

De dag dat mijn vader zijn eerste palliatieve chemo krijgt

PlusJames Worthy

Op de dag dat mijn vader zijn eerste palliatieve chemotherapie krijgt, zit ik op een bankje voor het ziekenhuis. Het is zonnig weer. Jongetjes in korte broeken spelen tikkertje op de parkeerplaats. Een jonge vrouw loopt langs. Ze ruikt naar dure zonnebrand en haar gespierde armen zitten vol tatoeages.

De drang om een tatoeage te laten zetten heb ik nooit gevoeld, maar sinds mijn vader ziek is, begint het wel te kriebelen. Mijn huid hunkert naar inkt. Mijn moedervlekken smeken om een mooie vadervlek. Ik heb zelfs al een idee, maar alle tattooshops zijn dicht.

Om mijn dorst naar inkt te stillen, lees ik ontzettend veel boeken. En dan vooral boeken over zieke vaders. Het stelt mij op de een of andere manier gerust om erachter te komen dat mijn vader niet de eerste vader is die ziek is. Er zijn altijd al zieke vaders geweest. Op de oudste muurschildering ter wereld staat een afbeelding van een zieke vader. Er staat een tekst onder. ‘Wie brengt me nu naar voetbaltraining?’

Ik lees ook veel over kanker en over chemokuren. Eergisteren las ik een verhaal over een man die in de periode dat hij chemotherapie kreeg een zeilboot bouwde. Daar werd ik vrolijk van. Niet dat ik wil dat mijn vader een zeilboot bouwt, nee, maar een kano zou leuk zijn. Een tweepersoonskano en dat we daarin dan samen door de grachten kunnen peddelen.

Vanaf het bankje kijk ik naar de zesde verdieping van het ziekenhuis. Een ambulance raast voorbij. Ik blaas een kus in de richting van een open raam.

Een sms’je van mijn moeder. Of hij al klaar is. Ik stuur terug dat ik word gebeld als hij klaar is. Dan zweeft mijn duim naar het icoontje ‘Foto’s’ en kijk ik naar de foto die ik een uur geleden voor het ziekenhuis heb gemaakt. Een selfie van ons tweeën. De foto maakt me verdrietig. Ik vind het niet eerlijk dat alleen hij zo aan het veranderen is.

Niet veel later sta ik in de zijspiegel van een bestel­wagen mijn baard van mijn gezicht af te scheren. De tondeuse zat toevallig nog in mijn rugzak.

Pa moet weten dat hij niet de enige is die aan het veranderen is. Mijn baardharen landen in de goot. Het is een flinke hoop. Ik zou er met gemak een tweepersoons kano mee kunnen bouwen.

Met mijn linkerhand ga ik over die kin die ik al sinds mijn vijfentwintigste niet meer heb gezien. Mijn telefoon gaat.

“Spreek ik met de zoon van meneer Pugh?”

“Ja, dat ben ik.”

“U mag hem komen ophalen.”

Ik loop het ziekenhuis binnen en groet de beveiliger die bij de deur staat. Die man doet zeer belangrijk werk. Hij zorgt ervoor dat de ziektes niet kunnen ontsnappen.

Ik was mijn handen in de hal en zie mijn vader in de verte aan komen lopen. Aan zijn gehijg kan ik zien dat hij de trap heeft genomen. De koppige klootzak.

Samen wassen we onze handen in de hal van het OLVG.

“Wat heb je met je gezicht gedaan?” vraagt hij. Hij droogt zijn handen aan mijn trui.

“Nu zien we er allebei beroerd uit,” zeg ik.

Met het topje van een wijsvinger gaat hij over mijn kin heen.

“Je hebt een kuiltje in je kin. Dat was ik vergeten.”

“Ik niet. Dat kuiltje is de reden dat ik een baard wilde.”

“Het is een mooi kuiltje. Een kuiltje voor de jus,” zegt mijn vader, terwijl we arm in arm het ziekenhuis verlaten.

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns hier terug.

Reageren? james@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden