Johan Fretz.Beeld Artur Krynicki

De belangrijkste les van Erik van Bruggen

PlusJohan Fretz

Denk ik aan Erik van Bruggen, dan zie ik een zwart kostuum, dat een groot lijf omsluit. Zwart dat oploste in de donkere zaal van de Melkweg, waardoor het leek alsof er twee bungelende handen en een hoofd op me afzweefden. 2011. Eén hand strekte zich. Twee ogen keken me aan, stoïcijns, nukkig en tegelijkertijd schuchter en zacht. Een jongenskind in het lichaam van een reus.

Nu is Erik dood. In een afgeladen Paradiso vierden we woensdag zijn leven.

In de kranten wordt hij, oud PvdA-man, oprichter van een groot campagnebureau, geroemd als onvermoeibare netwerker, maar zo noem ik hem liever niet. Netwerkers komen iets bij een ander halen. Erik kwam altijd iets brengen.

Na onze ontmoeting in de Melkweg bood hij me een bijbaan aan zodat ik, pas 25 jaar oud, zonder geldzorgen aan mijn eerste boek kon werken. Hij moedigde me aan, zoals hij dat bij honderden anderen deed, met zijn levensmotto ‘Dream out loud!’.

Hij kon je zelfvertrouwen geven, wanneer je dat het hardst nodig had, maar hij was ook streng. Toen ik na mijn debuut in een mediahype belandde, sprak hij me fel toe, bijna woedend. Het was niet goed genoeg. Ik moest durven bij mezelf te blijven, tegen de stroom in, niet zo pleaserig. “Niks aantrekken van wat anderen vinden, allemaal blah, blah, blah!”

Hij sprak vaak binnensmonds. Soms was het niet te verstaan, maar ik wist wat hij bedoelde: dat hij gelijk had. En dat het, als het even kon, grootser moest. En als het even niet kon, dan ook.

Een paar jaar geleden begon zijn lijf tegen te stribbelen: het kon de bezetenheid en mateloosheid niet langer bijbenen. Van zijn broer kreeg hij een nier, maar het lichaam bleef moe. Hoe verder? Een donorhart zoeken? Onbegonnen werk. Al waren we allemaal stad en land afgereisd, nergens hadden we een hart kunnen vinden, dat groot genoeg zou zijn, om dat van Erik te vervangen, dat net zo hunkerend en gretig zou bonzen: helder, luid, out loud.

Gisteren bracht ik mijn zoon naar de crèche. Hij moest daar gaan wennen. Wennen, nu al, aan het idee dat zijn ouders en hij samen niet een en dezelfde persoon zijn, dat hij los van ons bestaat. Hij keek me lachend aan. Ik mocht de lege kinderwagen parkeren in de berging.

Daarna liep ik door naar de Westerstraat 252, naar de grote open ruimte, met achterin Eriks lege bureau. In de bovenste la lag een kraamcadeau, dat hij me al maanden had willen geven. Een knalgeel rompertje waarop met grote rode letters stond geschreven: ‘BLAH! BLAH! BLAH’.

Ik deed mijn ogen dicht. Omdat je met gesloten ogen niet kunt huilen. Ik zag twee grote handen en een hoofd, loskomend van het donker. De handen reikten me het rompertje aan. Twee ogen, schuchter, week, onverschrokken, allemaal tegelijkertijd. Een reus. Een jongenskind.

Ik dacht aan alle keren in de afgelopen maanden dat ik, zoals elke jonge ouder koorddansend boven een ravijn van slapeloosheid, aan Erik had gedacht. En hoe ik me had voorgenomen bij hem langs te gaan, om hem eindelijk weer eens hardop, binnensmonds te horen mompelen.

Ik was niet langsgegaan. Ik dacht: komt nog wel. Het kwam niet meer. Het kan niet meer.

Blijkbaar was ik heel even zijn belangrijkste les vergeten: we komen tijd te kort voor ‘komt nog wel’. Je moet het nú doen. Onverstoorbaar, grenzeloos. De rest is blah. blah. blah.

Johan Fretz is schrijver en theatermaker. Hij heeft een wekelijkse column in Het Parool.

Reageren? j.fretz@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden