Maarten Mol Artikel Beeld Sjoukje Bierma
Maarten Mol ArtikelBeeld Sjoukje Bierma

‘Dat wordt een dure boterham, want je mag nergens meer de vogels voeren’

PlusMaarten Moll

Maarten Moll

In het parkje bij het gebouw van de dierenambulance waren twee gemeentewerkers, een grote en een brede, papier aan het prikken.

Als ik ergens mensen papiertjes zie prikken moet ik onmiddellijk aan Spekkie denken. Spekkie was een van de conciërges op mijn middelbare school, die als straf altijd papier liet prikken. (Jakkes was een andere, die de leerlingen vanachter een boom in de gaten hield. Een merkwaardige man in stofjas en met een hoedje op. Grote bril met zwart montuur. Het verhaal ging dat hij met zijn moeder in een bed sliep.)

Hebben conciërges op Amsterdamse middelbare scholen tegenwoordig nog bijnamen? Het gras en de struiken rondom mijn school lagen er altijd brandschoon bij.

Voor de grote en de brede was het papierprikken vlak bij de A10 geen straf, en er werd bij gezongen door een van de twee, de brede. De ander hield zijn kaken op elkaar, terwijl hij frietbakjes en mondkapjes aan zijn prikker reeg.

Het repertoire was Hazes.

Steeds maar alleen die eerste regel van De vlieger.

“Zet eens een andere plaat op,” zei de grote na een tijd.

“Hou je niet van Hazes?” antwoordde de brede.

“Dat is nou juist het probleem,” zei de grote.

“Ik kan niet zingen? Is dat wat je zegt?”

“In één keer goed,” zei de grote, en er verscheen een grote lach op zijn gezicht.

Ze kwamen al prikkend – de brede zong dapper door, nu over een eenzame kerst – bij de hangbrug over het water.

De brede stak zijn prikker in het gras en haalde iets uit de zak van zijn grote gemeentebroek. Een papieren broodzak. Hij haalde er twee boterhammen uit en begon er een in stukken te scheuren.

“Hé,” zei de grote, “dat mag niet.”

“Wat mag niet? “

“Je gaat voeren, toch?”

“Ja, en?”

“Dat wordt dan een dure boterham, want je mag nergens meer de vogels voeren.”

“Hou eens op, zeg.”

“Zeventig euro. Daar had die Hazes van jou veel biertjes van kunnen kopen.”

“Wie ziet nou dat ik hier sta?”

“Ik heb hier wel eens een ambtenaar achter een boom zien staan loeren.”

“Vast. Maar dan zeg ik dat het brood uit mijn mond in het water is gevallen.”

“Bijdehand. Dat brood trekt ratten aan.”

“Niet als de eendjes het gewoon netjes opeten,” zei de brede. Hij maakte klakkende geluiden, en gooide een stuk brood in het water. Hij draaide zich van zijn maat af.

Er was nog geen eend te zien.

“Het is de enige herinnering die ik aan mijn vader heb, samen de eendjes voeren,” zei hij.

De grote keek naar de rug van de brede, met een blik vol ongeloof. Zo’n bekentenis had hij niet verwacht. Toen verscheen er een glimlach op zijn gezicht.

“Kleine jongen…” zong hij zacht, en prikte met een luide plop een leeg pakje chocomel aan zijn prikker.

Maarten Moll schrijft over dagelijkse beslommeringen in de stad. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? m.moll@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden