Beeld Sjoukje Bierma

Dat je nerveus bent omdat je schilderijen gaat zien

PlusMaarten Moll

Er zijn plekken waar je altijd naar terugkeert. Een huis, een rivier, een graf. Plekken waar iets met je gebeurt, waar je lang kunt staan mijmeren.

Voor het eerst sinds de uitbraak van het virus was ik weer in het Stedelijk. Ik was opgelaten. Zoals je opge­laten bent als je na lange tijd weer iemand gaat zien. Of iets, in dit geval.

Schilderijen.

Leg dat maar eens uit, dat je nerveus bent opgestaan omdat je schilderijen gaat zien.

Eerst naar de vaste opstelling. De lange trap naar beneden, als de weg naar het stadion, die tijd om je te verheugen op wat je gaat zien.

En ook altijd die sluimerende angst dat er iets is ­veranderd. Je geboortehuis dat is afgebroken.

De zaal op. Opluchting. De knoop in je maag die oplost als je haar in het restaurant al aan dat tafeltje ziet zitten.

Niet meteen naar je favorieten, eerst blijven stilstaan bij ‘de anderen’.

Cézanne, Chagall, Malevitsj.

Dan een lieveling: het schilderij met daarop het mooiste glas bier uit de moderne kunst. Een glas dat je zo uit het schilderij zou willen grissen om het aan je lippen te zetten. Op het terras, van Nola Hatterman.

En dan langzaam naar die hoek waar drie grote meesters zijn samengepropt. Rothko, De Kooning, Pollock. Hoekje om. Verbijstering.

Er hingen maar twee schilderijen. Rosy-Fingered Dawn at Louise Point en The Water Bull.

Dat was niet afgesproken. Waar was Rothko?

De ruimte voor het doek Untitled (Umber, Blue, Umber, Brown) uit 1962 is zo’n plek waarnaar ik steeds terugkeer. Het is een cliché te zeggen dat je in een Rothko kunt verdwijnen, dat de schilder je emotioneel wil chanteren met zijn kleuren. Dat hij je wil laten huilen.

Ik ben een Rothkoman. In zijn schilderij zie ik een huis, een rivier, een graf. Ik kom ontzettend tot rust als ik voor dat schilderij sta, en soms verlies ik de tijd. (Nee, ik ga niet zeggen dat het een therapeutisch schilderij is.)

Ik keek naar de plek waar mijn Rothko hing. Het voelde alsof ik een blauwtje had gelopen.

Snel naar mijn favorieten boven. De Kippenbergers hingen er nog, en het schitterende Zwei Lampen van Genzken. Innenraum van Anselm Kiefer. Gelukkig.

Maar toch. Waar is Rothko? Dat vroeg ik me de hele tijd af. Wisselende collectie, restauratie, bruikleen? Het maakte niets uit. Ik wilde mijn shot Rothko.

Rusteloos als een verslaafde liep ik nog een paar keer terug naar de plek. “Geef mijn Rothko terug!” wilde ik schreeuwen. Maar dat doe je niet in een museum. 

Maarten Moll schrijft over dagelijkse beslommeringen in de stad. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? m.moll@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden