Maarten MollBeeld Sjoukje Bierma

Dat doen ze als ik ‘de kaboutertjes’ ter sprake breng

PlusMaarten Moll

Soms ga je ten onder aan je eigen succes. Nou ja, succes. Dat wat voortvloeit uit het barse commanderen, kun je beter zeggen. Deuren die dicht worden gedaan. Deksels die op potten worden gedraaid.

Laatst.

Een knetterend vloeken vanuit de keuken (ik).

Jongste Dochter die komt aanlopen. Ziet op het ­aanrecht een pot pindakaas op een bord liggen.

Pot pindakaas kapot. Bord kapot. Ik met het deksel in de hand.

“Hoezo liet je de pindakaas op dat bord vallen?”

“Iemand heeft het deksel er niet goed opgedraaid.”

“Je moet de pot pindakaas ook niet bij het deksel ­grijpen. Dat zeg je zelf de hele tijd.”

“Ik grijp de pot altijd bij het deksel want als iedereen het deksel goed dichtdraait, gebeuren er ook geen ongelukken.”

“Is dat het laatste Griekse bordje?”

“Dat is het laatste Griekse bordje.”

“Zal M. leuk vinden.”

“Mag jij haar vertellen, want jij hebt het deksel er niet goed opgedraaid.”

“Ik heb geen pindakaas gegeten.”

“Dan hebben de kaboutertjes het zeker weer gedaan?”

Jongste Dochter loopt weg. Dat doen ze allemaal als ik ‘de kaboutertjes’ ter sprake breng. Vonden ze één keer leuk.

Gisteren, of eigenlijk vannacht en vanochtend.

Ik word wakker.

Even Wim Brands citeren, de beginregels uit zijn gedicht ‘In memoriam Oleksandr Polishchuk’:

Diep in de nacht schiet ik wakker;
een van mijn kinderen komt niet lang daarna thuis.
Ik ben op mijn hond gaan lijken
die ruim voor onze komst aanslaat.

Maar nu hoor ik Oudste Dochter niet.

Een uur later schiet ik weer wakker. Weer hoor ik niets.

Ik stap uit bed en ga in de gang kijken. Haar schoenen staan niet voor de schoenenkast. Ze is dus nog niet thuisgekomen.

Om half zes ga ik nog eens kijken. Geen schoenen.

Ik bel haar. Haar telefoon staat uit.

Om half zeven, toch licht ongerust: geen schoenen. De telefoon staat nog steeds uit.

Toch – waarom nu pas? – maar even boven gaan ­kijken.

En ja hoor, mevrouw ligt lekker in haar bed.

Later die ochtend.

“Je ben niet even komen zeggen dat je thuis was.”

“Dat hoeft toch niet meer?”

“Als je dan je schoenen voor de kast laat staan, zodat ik kan zien dat je thuis bent gekomen.”

“Ik heb mijn schoenen in de kast gezet. Dat wil je toch? Dat we onze schoenen netjes in de schoenenkast zetten?”

“Ja, maar…”

“Je was laatst zo boos dat we dat niet deden, dus ik heb ze vannacht keurig in de kast gezet.”

“Ja, klopt, maar…”

“Dus wat wil je nu?”

Daar stond ik, met mijn regels. En ik kon geen beroep doen op de kaboutertjes.

Maarten Moll schrijft over dagelijkse beslommeringen in de stad. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? m.moll@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden