PlusColumn

Dank U Amsterdam, voor het warme bad dat U altijd geweest bent

Pepijn LanenBeeld Corné van der Stelt

Toen ik klein was, was ik klein. Ik wist niet hoe ik mijn veters moest strikken of hoe ik zo'n moeilijke dubbele knoop die net te strak getrokken was weer los moest maken.

Elke dag of elke week was er iets nieuws. Mijn moeder leerde me hoe ik thee moest zetten en later koffie. Op school kwam ik erachter dat getallen in groeperingen dan wel in reeksen op een bepaalde logische manier op elkaar volgden. Ook kwam ik erachter dat je de ene dag vrienden met iemand kon zijn en de volgende dag weer niet.

In de ochtend zat ik met mijn vader aan tafel en at ik toast met of pinda- of gewone kaas terwijl mijn vader marmite op de zijne smeerde en we samen thee dronken zonder erg veel te zeggen, wat precies goed was. Ik keek nog vijf minuten MTV totdat het alarm op mijn casiohorloge ging en dan vertrok ik naar school.

Mijn broer woonde in Amsterdam, mijn zus eerst in Utrecht en toen in Maastricht. Ik leerde overal van alles. Latijn en een beetje Frans in de lokalen van het gymnasium, blowen in het parkje daarachter en het gevoel van een gebroken hart in een combinatie van die plekken.

Ik was nooit een echte roker, maar rookte wel sigaretten, net zoals ik nooit echt geld had maar het wel altijd uitgaf. Ik las 'Angst en walging in Las Vegas' toen ik een keer ziek was en mijn moeder het aan me gaf.

Na een tijdje voelde ik me opgesloten in Utrecht. Gevangen in de Domstad en zijn stoeptegels. In het weekend ging ik vaak naar mijn broer die bij het Surinameplein woonde. Hij liet me a Tribe Called Quest horen en biertjes drinken en de nacht zien en het greep mij. De uitgestrekte stad waar ik niks van wist maar alles van wou aanraken.

Bezoek na bezoek werd mijn overtuiging gesterkt dat ik niet anders kon dan ook naar Amsterdam verhuizen en het verstikkende nikserige Utrecht achter mij te laten. De stoeptegels van de postcode van mijn geboortegebied voelden als molenstenen om mijn nek.

Maar het was nooit de stad die mij tegenhield, noch waren het de stoeptegels die mij benauwden. Ik was mijn eigen molensteen. Ik moest ontwikkelen en vervlinderen en zolang dat niet gebeurde maakte het niet uit waar ik was of hoe ik me voelde.

Dank U Amsterdam, voor het warme bad dat U altijd geweest bent voor me, waarna ik eindelijk, afgedroogd en wel, me van mijn schil heb kunnen ontdoen. Uw open armen zullen mij altijd bijblijven.

Pepijn Lanen (1982), ook bekend als Faberyayo, is rapper, schrijver en tekstschrijver van onder meer De Jeugd van Tegenwoordig en LeLe. Elke zaterdag schrijft hij een column voor Het Parool. In het archief lees je ze allemaal terug.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden