Maarten Moll. Beeld Sjoukje Bierma
Maarten Moll.Beeld Sjoukje Bierma

Daar zit ik dan met mijn allesbehalve groene vingers

PlusMaarten Moll

Maandag 19 april 1976: ‘Omdat het de laatste dag is dat mijn auto zonder voorbank rijdt, vervoeren we de kleinere agave van het atelier naar de tuin. (…) Werken tot aan de schemering aan het bevestigen van de pergola boven het terras. Moeten het halverwege laten liggen. Morgen verder.’

Dit schreef Jan Wolkers in Dagboek 1976.

Precies 45 jaar later logeer ik als gastschrijver in het tuinhuis van De Wolkers Tuin, gelegen op het volkstuinencomplex Amstelglorie. De tuin waar Jan Wolkers en zijn vrouw Karina van 1972 tot eind 1980 (toen ze naar Texel verhuisden) tuinierden, aten, en neukten. (Het gaat bij Wolkers nu eenmaal ook veel over neuken). In 2018 werd de renovatie en restauratie naar ontwerp van het oorspronkelijke huisje voltooid.

Dit alles op initiatief van een groep tuinders op Amstelglorie. Ter behoud van literair erfgoed en ter promotie van behoud van groen in Amsterdam. (Donaties zijn welkom.) Op de tuin worden lezingen gehouden, workshops gegeven en schrijvers ondergebracht.

In het huisje staat het werk van Jan Wolkers in de kast, en lees ik, onder de pergola gezeten die onlangs is aangebracht, in zijn dagboeken. Waarin het vaak gaat over ‘de tuin’.

Op 19 april 1972 noteert hij dat hij aan de roman De Walgvogel heeft gewerkt. Niets over de tuin. Wel de dag ervoor: ‘Bak twee dikke tongen. Daarna wandelen we in de volkstuintjes. Bekijken de grote tuin weer even. Gesprek met de oude baas. Veel kans is er niet maar we blijven hopen. Ik slaap er soms ’s avonds niet van en ben in gedachten al allerlei gereedschap aan het aanschaffen om de tuin te bewerken.’

22 april: ‘Om één uur zijn we in de kantine van volkstuinvereniging Amstelglorie. Achter de tafel twee mannen met wat oranje stencilwerkjes voor zich. Een van de mannen heet de ongeveer twintig mensen die op een rijtje stoelen voor ze zitten welkom en begint dan een tirade af te steken, hoe moeilijk het is om een volkstuin goed te onderhouden. Dat gaat twintig minuten in mineur door. Het verwondert me dat er op den duur maar één mannetje opstaat en weggaat. Na het zeurderige verhaal komen er overbodige en zeurderige vragen van de mensen. Daarna worden we ingeschreven.’

8 december: ‘We krijgen een brief van de Volkstuinencommissie dat we een tuin hebben. Hoera! Spitten, schoffelen en groente kweken.’

En dan kan het gaan beginnen. (Lees het heerlijke Amstelglorie – De volkstuin van Jan Wolkers.)

En daar zit ik dan met mijn allesbehalve groene vingers.

Ik heb dit jaar thuis de een of andere palm weten te verdrinken, cactussen aan hun lot overgelaten, en een hangplantje vermoord.

Op 20 april 1973 schrijft Jan Wolkers in zijn dagboek: ‘In het tuintje zet ik de dahliabollen in de grond.’

Dat moet me, als eerbetoon, morgen of later deze twee weken toch lukken. (Waar koop je dahliabollen?)

Maarten Moll schrijft over dagelijkse beslommeringen in de stad. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? m.moll@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden