Maarten Moll. Beeld Sjoukje Bierma
Maarten Moll.Beeld Sjoukje Bierma

Daar komt zelden iets goeds uit; gedwongen vriendschap

PlusMaarten Moll

Briefjes die op straat liggen, ik ben er gek op.

Ik raap ze altijd op, vouw ze open.

Eén keer een uitmaakbriefje (van haar aan hem).

Een sinterklaasgedicht.

Gevonden briefjes. Bijna altijd: boodschappenbriefjes.

Iemand die sperziebonen én snijbonen op het briefje heeft geschreven.

Zoete dropjes.

Melatonine en paracetamol.

Ik maak ze ook nog steeds. Het kan op de telefoon, maar ik vind een briefje fijner. De echte boodschappenbriefjesfanaat heeft er ook een pen bij paraat. Mensen met briefjes bewegen zich ook heel erg vastberaden door de winkel. Recht op het doel af.

Ik doe het ook met pen, een enkele keer. En ik weet dat het enorm bevredigend is om het woord melk door te strepen, of rode peper. Tot er niets meer is om door te strepen.

Boodschappenbriefjes zorgen weleens tot ergernis bij thuiskomst.

“Heb je wc-papier meegenomen?”

“Wc-papier? Nee.”

“Waarom niet?”

“Dat stond niet op het lijstje.”

“Maar ik riep het je nog na toen je ging.”

“Het stond toch niet op het lijstje.”

Lijstjesdwang is mij niet vreemd als ik met een briefje op stap ga. Iets pakken dat niet op het lijstje staat, gebeurt dan niet zo snel. Er zal wel een naam voor deze fobie bestaan.

Nou ja. Gisteren vond ik op straat een briefje. Een groen, klein, opgevouwen briefje. Dat zie je niet zo veel, gekleurde boodschappenbriefjes.

Ik raapte het op.

Maar het was geen boodschappenbriefje.

Ik zag het handschrift van een kind. Zwarte letters. Ik ontcijferde de hanenpoten: ‘Ik ben Kelly. Ik woon hir nog maar net. Ik hep noog geen vrinde.’

Met daaronder een adres.

Een stukje verder lag in het gras een groen envelopje.

Kelly, stond er op de achterkant, op de plek van de afzender. Met daaronder een wat bibberig getekend hartje. In de envelop zat ook een muntje van tien eurocent.

Een analoog vriendschapsverzoek.

Nieuwe buurt, onbekende mensen, andere school.

Ga er maar aanstaan.

Kelly, ik schat een jaar of zeven, schrijft aan de keukentafel een briefje. Ze laat het niet aan haar moeder lezen, want die gaat het alleen maar verbeteren. Uit haar spaarpotje peutert ze een muntje. Dat doet ze in de kleine, groene envelop.

Dat muntje ontroerde me. Alsof gewoon de wens om een vriendinnetje niet genoeg was.

Maar waar zal ze haar uitnodiging neerleggen?

Is ze het briefje verloren? Of heeft ze het, aan de hand van vader of moeder, stiekem op straat laten vallen in de hoop dat het gevonden werd?

Flessenpost, maar dan anders.

Stond ik daar op straat met dat briefje in mijn handen.

Ik kon, als alles op mijn boodschappenbriefje was afgevinkt, Kelly’s groene briefje op het vraag- en-aanbodbord in de supermarkt hangen. Maar dan kreeg je weer dat ouders – ‘Ach, dat arme meisje’ – hun kinderen gingen dwingen contact met Kelly op te nemen.

Daar komt zelden iets goeds uit; gedwongen vriendschap.

Ik heb het envelopje bij het speeltuintje neergelegd, op de rand van de zandbak. Niet op een afstand blijven staan kijken of het opgemerkt zou worden.

Nog lang heb ik aan dat muntje gedacht.

Maarten Moll schrijft over dagelijkse beslommeringen in de stad. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? m.moll@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden