Roos Schlikker.Beeld Lin Woldendorp

Blijkbaar heb ik aan mezelf te weinig

PlusRoos Schlikker

Vier katten. Twee kinderen. Een Canadees. Een hond.

Als je het snel achter elkaar zegt, klinkt het heus niet als veel. Maar dat is het natuurlijk wel.

Vier katten. Twee kinderen. Een Canadees. Een hond.

Die allemaal eten moeten. Hun verhaal kwijt willen. Geaaid dienen te worden. Beetje spelen. Poepen. Plassen. En opnieuw eten.

Vier katten. Twee kinderen. Een Canadees. Een hond.

En daar leef ik zelf ook nog tussen. Ik die ooit het meisje met de bal was. Een blond vlechtenkind dat alleen naar huis liep, sleutel om haar nek. Dat zelfstandig boterhammetjes smeerde. Dat urenlang met een bal tegen de buitenmuur kaatste. Een meisje dat verlangde naar ooit. Misschien zou ze op een boerderij wonen. Met paardjes en een dik varken dat Siem heette. Een geromantiseerd leven natuurlijk, maar ze droomde ervan. Of van een carrière in de stad. Met slierten vriendinnen en talloze verkeringen. Altijd druk, altijd aan. Nooit meer het echoënde geluid van een bal die stuitert tegen een muur maar niet wordt opgevangen door een ander. Omdat er niemand is.

Het vlechtenmeisje kon het goed. Alleen zijn. “Ze vermaakt zich altijd,” zei haar moeder trots. Dat deed ze ook. Sterker, ze is nog altijd graag alleen. Maar dan wel te midden van veel leven.

Ik heb een vriendin die de zeventig is gepasseerd en mij vaak op scherp zet. “Waarom moest er nog een dier bij?” vraagt ze terwijl ik enthousiast verhaal over Frenkie de hond. “Je hebt al zoveel te doen.”

Ik denk na en besef: maar er is ook veel dat ik moet laten. Sinds mijn moeder stierf mis ik het. Haar verhaal beluisteren, troosten, iets lekkers koken dat ze amper aanraakte. “Ik heb zorgaanbod over,” murmel ik. Mijn vriendin glimlacht. “Is het niet ook omdat je nooit meer echt alleen wil zijn?”

Ik blijf stil. Was ik een eenzaam kind? Vaak niet. Mijn vader was mijn grootste vriend en ik had veel vriendinnetjes. Maar ik nam ze zelden mee. Te veel, te druk voor een moeder die aan zichzelf meer dan genoeg had. En blijkbaar heb ik aan mezelf te weinig.

In de podcast Een dik uur Ischa op de radio vertelt Ramsey Nasr dat hij het mooi vindt dat Ischa op de vraag of hij eenzaam is ooit antwoordde: “Nee. Meneer Meijer is allenig.” Allenig. Het woord raakte mij ook. Omdat het zo prachtig uitdrukt dat je naast de roedel staat.

Mijn moeder was allenig. Soms maakte zij mij dat ook. Dus creëerde ik mijn eigen roedel. Om in opgenomen te worden.

Vier katten. Twee kinderen. Een Canadees. Een hond. En een vader die nog altijd naast me staat.

Het is vijf uur ’s middags. Frenkie keft, vier poezen staan op rij bij hun voerbakjes, natte schooltassen zijn in hoeken gesmeten, “Mam, wat betekent ‘pak die chickie van achter’?” Het huis vult zich met geluid. Ik zorg, redder en ben tevreden.

Maar ver weg hoor ik het geluid van een bal die allenig stuitert op de straat. En niemand pakt hem op.

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken. Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Reageren? r.schlikker@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden