Erik Jan Harmens. Beeld Artur Krynicki
Erik Jan Harmens.Beeld Artur Krynicki

Bij Doe Maar denk ik altijd eerst: doe wát maar?

PlusErik-Jan Harmens

Ik ben opgegroeid in de jaren tachtig. Als iemand zei ‘Ik hou van Het Goede Doel’, dan wist je dat het niet over een charitatieve instelling ging, maar over de band van Henk en Henk. Vroeg je iemand naar zijn lievelingsmuziek en antwoordde hij ‘Doe Maar’, dan zei je niet terug: “Doe wát maar?” Je wist dat hij de formatie van Henny Vrienten en Ernst Jansz bedoelde. Vroeg ik iemand: “Wat is je favoriete band?” en antwoordde hij ‘Toontje Lager’, dan herhaalde ik mijn vraag niet met mijn stem een octaaf naar beneden.

Mijn brein gaat helaas nooit meteen mee in die newborn connotatie. Bij Doe Maar denk ik dus altijd eerst: doe wát maar? Pas daarna: ah ja, de band. Bij Wham! denk ik eerst aan het geluid, pas in tweede instantie aan het popduo uit de jaren tachtig. Wet Wet Wet is in mijn beleving eerst: héél erg nat. Pas daarna die band van dat kutliedje uit Four Weddings and a Funeral.

Als iemand zich voorstelt als Ruud of Janny is er niet veel aan de hand, het zijn gewoon namen. Maar als iemand zich voorstelt met ‘Hoi, ik ben Trui’, dan denk ik aan het kledingstuk. Dat kan ook niet anders, ze zégt toch trui. Anderen lijken nergens last van te hebben, ze reageren gewoon: “Hoi Trui, ik ben Maan.” Ondertussen heb ik al een kledingstuk én een hemellichaam aan mijn fiets hangen en word ik wel gewoon geacht met beiden een gesprek te voeren.

Soms zegt iemand tegen mij: “Leuk je te ontmoeten, ik ben Trui.” Dan haak ik af vanwege dat ‘leuk je te ontmoeten’, want hoe kan iemand dat dán al zeggen? Ik wacht liever met de evaluatie tot na de samenkomst. Pas dan stuur ik iemand een berichtje: ‘Was leuk je te ontmoeten, Trui.’

Zegt iemand bij het afscheid nemen ‘Misschien zien we elkaar nog een keer’, dan vind ik dat vaag. Zoiets kun je toch afdwingen door een afspraak te maken. Ik reageer tegenwoordig standaard met: “Misschien wel ja, bijvoorbeeld volgende week donderdag om drie uur ’s middags bij de ingang van het Vondelpark aan de kant van de Amstelveenseweg?” Dan is het maar duidelijk.

Soms duurt het dag zeggen eindeloos. Dan zeg ik: “Oké, tot kijk!” En zegt de ander: “Tot ziens hè, hou je haaks.” En ik terug: “Ja, dank je, jij ook, hou je taai!” De ander weer: “Komt goed!” Ik weer: “Ja, vast.” De ander: “En als het niet goedkomt, komt het ook goed.” Ik: “Tuurlijk. Zo gaan die dingen.” ­– “Oké, de mazzel!” – “Doe de groeten thuis!” – “Doe ik, doe jij ook de groeten thuis!” ­– “Doe ik!” De woorden komen en komen, ze blijven maar komen, maar ik wil juist gáán.

Erik Jan Harmens (1970) is schrijver en dichter. Hij schrijft elke week een column over prikkels en andere zaken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden