Marjolijn de Cocq.Beeld Artur Krynicki

Bij de naam Dusan Tadic heb ik andere associaties

PlusMarjolijn de Cocq

Toen ik onlangs voor de site Oost Online werd geïnterviewd over mijn boekenkast, werd die in het artikel omschreven als ‘gestructureerd.’ Nou is het waar dat ik mijn boeken netjes op alfabet heb staan, of op thema – en met keurig afgepaste ruggen op de planken, zoals ik van mijn nog veel gestructureerdere vader heb geleerd. Ik houd niet van boeken overdwars bovenop de rijtjes, en als er boeken bijkomen die per se een plek in de kast moeten, vallen andere noodgedwongen af.

Maar achter die nette rijen literatuur schuilt mijn schaduwboekenkast. Daar staan, op de onderste plank achter de Russische woordenboeken en de Russische klassiekers, de boeken uit mijn tijd als verslaggever van het Joego­slaviëtribunaal in Den Haag. Boeken over de oorlog die het voormalig Joegoslavië vanaf 1992 uiteenscheurde, boeken over zaken voor het tribunaal, boeken van aanklagers, boeken van slachtoffers.

Ik deed verslag vanaf de eerste zaak tegen Dusan Tadic in 1995, een Bosnisch-Servische kampbewaker die twee jaar later tot twintig jaar gevangenisstraf werd veroordeeld – als de naam van de voetballer uit de televisie schalt, heb ik andere associaties.

Na de arrestatie van Slobodan Milosevic (ik was op Cuba en zag het nieuws op een Franse televisiezender – het grote nieuws gemist!) stopte ik bij het tribunaal. De focus kwam anders te liggen (‘Mag de vrouw van Milosevic op bezoek komen?’ ‘Blijft het licht ’s nachts aan in zijn cel?’) en niemand was meer geïnteresseerd in de verhalen van de ‘kleine vissen’, de buren die zich tegen buren keerden.

Ik kwam er nog wel terug, om ze te zien in de rechtszaal: de aanstichters die uiteindelijk niet aan vervolging ontkwamen. Radovan Karadzic, als een vis in het water met alle aandacht die op hem was gevestigd – vorig jaar in hoger beroep tot levenslang veroordeeld. Ratko Mladic, in 2017 veroordeeld tot levenslang, zijn hoger beroep nu wegens de coronacrisis uitgesteld. 

De arrestatie van Mladic in 2011 bracht me dat jaar ook naar Srebrenica, waar vandaag – op de begraafplaats met de eindeloze rijen witte zuiltjes tegenover de Dutchbatbasis in Potocari, – de genocide voor de 25ste keer wordt herdacht.

En ik denk aan de getuige voor het tribunaal die ik nooit heb kunnen vergeten, ‘getuige O’. Hij was zeventien, werd in die hete julidagen van 1995 dagenlang in een volgepakte vrachtwagen rondgereden, de dorst was zo groot dat de mannen hun urine dronken. Toen ze werden uitgeladen bij een dam en een massaslachting begon, overleefde hij die doordat het lichaam van een andere man over hem heen viel. Hij was niet blij dat hij het had overleefd. Hij kon alleen maar denken aan die dorst.

Reageren? m.decocq@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden