Opinie

‘Bestempel slavernij en de slavenhandel als misdaad tegen de menselijkheid’

Bied geen excuses aan voor het slavernijverleden, schrijft advocaat en PvdD-Kamerlid Peter Nicolaï, maar kom met een wet. ‘Beschouw de slavernij en de slavenhandel als een misdaad tegen de menselijkheid.’

Een markt waar totslaafgemaakten worden verhandeld in Louisana in de 19de eeuw.Beeld Getty Images

Het woord ‘rechtsstaat’ valt de laatste tijd voortdurend. Noodverordeningen die vloeken met het idee van de rechtsstaat, een aangekondigde coronanoodwet die onze rechtsstaat op scherp zet, erkenning van racisme dat in een rechtsstaat niet thuishoort. En woensdag herdenken wij de afschaffing van de slavernij. Ook dat heeft met de rechtsstaat te maken.

Dat er een rechtsstaat behoort te zijn, kan niet door de wetgever worden bepaald. Dat hele bouwwerk en het naleven van wetten berust uiteindelijk op een rechtsbewustzijn, op een overtuiging van allen die behoren tot onze rechtsgemeenschap, een historische entiteit.

Het rechtsbewustzijn ontwikkelt zich, het ligt niet vast in koude teksten, in blote instituties, gestold in wetgeving, het is een proces waarbij van generatie op generatie morele waarden en rechtsopvattingen worden doorgegeven en aangevuld, als zich een ijkmoment aandient (zoals nu bijvoorbeeld met betrekking tot racisme). Wat iedere lezer nu als recht ervaart, staat niet los van opvattingen over recht en moraal die door de eeuwen heen tot stand zijn gekomen. Er is steeds een draad die de levende rechtsstaat met haar verleden verbindt.

Auschwitzherdenking

Op 1 juli 2020 wordt de afschaffing van de slavernij – inmiddels ruim 150 jaar geleden – herdacht. Onze rechtsgemeenschap wordt op die datum geconfronteerd met een draad die haar met haar verdrongen verleden verbindt; met rechtsopvattingen die inmiddels zijn verlaten; met recht dat we nu tot onrecht rekenen, maar dat niet uit de historie van het rechtsbewustzijn kan worden verbannen.

Mark Rutte sprak op de Auschwitzherdenking in januari dit jaar excuses uit over het optreden van de Nederlandse ambtelijke dienst tijdens de bezettingsjaren. Twee weken later vond een bijeenkomst plaats van het het Nationaal Instituut slavernijverleden en erfenis (Ninsee). Vanzelfsprekend kwam daar aan de orde dat de regering nog steeds geen excuses heeft aangeboden over het slavernijverleden. 

Waarom was er toch steeds die ‘acrobatische woordendans,’ aldus het Amsterdamse raadslid Don Ceder, met uitdrukkingen als ‘diepe spijt, neigend naar berouw’, als het woord ‘excuses’ maar kon worden vermeden? Alles wees erop dat de regering niet ‘van harte’ excuses kon maken over de slavernij en de slavenhandel.

Ik zeg ‘van harte’: zit daar niet het gevoelige punt? Heeft het maken van excuses voor velen niet een verbinding met gevoelens, met elkaar recht in de ogen kijken en de ander excuus te vragen voor iets waar je schuld aan hebt?

Slavenhandel

Hoe zit het met het aanbieden van excuses voor de deelname van Nederland aan de slavenhandel en het in stand houden van de slavernij? Daar doemen dan toch vragen op. Wie had er schuld? Wie kijken we in de ogen? Als het om excuses gaat, namens wie worden die dan aangeboden? Namens de Nederlandse bevolking, dus inclusief ‘alle mensen en nazaten die last hebben gehad van de slavernij’, dus de slachtoffers? En voor zover excuses verbonden zijn met gevoelens, ligt het dan niet voor de hand dat de schuld op de schouders moet worden gelegd van degenen die bij de praktijk van de slavernij en bij de slavenhandel betrokken waren (gemeentebesturen, rijke families)? Dat zou wel zo eerlijk zijn. Maar is dat voldoende?

Dat brengt ons tot de vraag hoe wij in het kader van de herdenking van de afschaffing van de slavernij van mensen woensdag 1 juli als rechtsstaat verantwoordelijkheid moeten nemen. In mijn ogen is onnodig telkens over ‘excuses’ gesproken, waarmee het onderscheid tussen schuld en verantwoordelijkheid uit het oog verloren werd en de factor ‘gevoel’ de discussie is gaan beheersen. Excuses zijn voor velen verbonden met schuldgevoel, met praktisch handelen waar je spijt van hebt, met pijn die een ander is aangedaan. Die pijn is er ontegenzeggelijk, ook vandaag de dag nog bij ‘alle mensen en nazaten die last hebben gehad van de slavernij’.

De taak van een rechtsgemeenschap is om de erkenning van die pijn en van het onrecht uit de sfeer van gevoelens naar het domein van het recht te brengen. Dat opent de mogelijkheid voor eenieder – ook voor hen die het gevoel hebben helemaal geen schuld te hebben aan de slavernij – in het domein van het recht definitief af te rekenen met het slavernijverleden. Een rechtsstaat die gedragen wordt door een rechtsgemeenschap draagt medeverantwoordelijkheid voor haar geschiedenis. Zonder schuld kan toch verantwoordelijkheid bestaan.

1863

In 1863 werden wetten aangenomen waarbij de slavernij werd afgeschaft. Nu is het zaak een wet aan te nemen waarbij rekenschap wordt afgelegd voor het slavernijverleden. Dat is niet moeilijk. Dinsdag stemt de Eerste Kamer over een motie waarin ik voorstel dat de regering moet nagaan of er, net zoals in Frankrijk, een wet moet komen die de slavernij en de slavenhandel als misdaad tegen de menselijkheid bestempelt. 

Ook wordt de regering gevraagd om de oprichting en instandhouding van een nationaal monument, een kenniscentrum slavernijverleden en een slavernijmuseum te garanderen. Hoe mooi zou het zijn als de dag voor de herdenking van de afschaffing van de slavernij die motie wordt aangenomen? Een blijk van verantwoordelijkheid die de Nederlandse rechtsstaat erkent. Eigenlijk een stap verder dan excuses.

Peter Nicolaï, advocaat en oud-docent bestuursrecht. Hij is lid van de Eerste Kamer voor de Partij voor de Dieren.
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden