Plus Column

Amsterdam zit op haar kamer. Ze heeft zichzelf weer opgesloten

James Worthy Beeld Agata Nowicka

Amsterdam zit op haar kamer. Ze heeft zichzelf weer opgesloten. Niemand mag meer naar binnen. Aan de muren hangen posters van artiesten die in het verleden lieve dingen over haar zongen of schreven. Vandaag de dag zingt niemand meer over haar.

De liedjes zijn op. De inspiratiebron is een doodlopende steeg geworden. Amsterdam leest de kranten. Ze ziet hoe het alfabet, als het op haar aankomt, tot ammunitie gereduceerd is. Mensen noemen haar steeds vaker een pretpark.

Ze zou haar ziel aan de duivel hebben verkocht en met die miljoenen van de duivel koopt ze enkel wafels, koffiezaakjes en souvenirwinkels. Maar Amsterdam haat pretparken. Ze krijgt überhaupt al uitslag van het woord pret. Pret is plezier waar je je voor schaamt.

Binnenpret is naar haar mening dan ook de enige goede pret, omdat ze die pret niet hoeft te zien. Ze staat voor de spiegel en checkt met haar handen of haar neus in een reuzeglijbaan is veranderd. Zo eentje waar je alleen met een matje van af mag. Maar haar neus is gewoon een neus.

Soms maakt ze wandelingen door zichzelf. Het liefst in de nacht. Ze is het mooist in de nacht. Of dan voelt ze zich het mooist. Als de toerist al ligt te slapen omdat zijn vakantie morgen voorbij is. In de nacht, als de vliegtuigen die over haar heen vliegen op vallende sterren lijken.

Vliegtuigen zijn haar favoriete vallende sterren. Echte vallende sterren hebben te veel haast. Vliegtuigen nemen de tijd als ze over haar heen vallen. Ze rekken de val uit. En dit geeft haar zo'n goed gevoel, dat Amsterdam vaak vergeet dat ze een wens mag doen.

In haar rugzak zit een schriftje waarin ze dagboek­dingen schrijft. Het schrijven doet ze altijd op dezelfde plek. Achter de Sint Nicolaaskerk op de Oudezijds Kolk. Sint Nicolaas is haar beschermheilige. Hij lacht niet om haar zielenroerselen. Sint Nicolaas weet dat ze geen pretpark is. Hij weet precies wat ze is en daarom beschermt hij haar al eeuwen.

"Lees eens voor wat je al hebt?" vraagt hij.

"Het is nog niet af," zegt ze.

"Kom op, schat, je bent Amsterdam."

"Soms droom ik dat ik een dorp ben. Een dorp waar niemand wil wonen. Een plek waar de huizen zo zuur zijn dat niemand ze wil melken. Een nietszeggend dorp waar niemand iets van verwacht. Ik kan je muze niet zijn, kom op, ik ben gewoon wat huizen en een apotheek. En een plein met een bankje waar niemand ooit op zit. In de kroeg op de hoek hebben ze maar twaalf glazen. Er is geen snackbar, dus ook geen sportschool en er woont niemand die een keer op televisie is geweest. In het dorp kun je niet worden wat je wilt, dus moet je maar gewoon blijven wie je was. Soms droom ik dat ik een dorp ben. Er bestaat geen noord of zuid en koffiemelk is er nooit uit de mode geraakt. Ik ben een dorp en meer zal ik nooit worden."

"Maar je bent Amsterdam."

"Zeg dan eens iets liefs tegen me. Af en toe heb ik meer dan bescherming nodig, Nico."

"Misschien verlaten veel mensen je, maar ze komen terug. Geloof mij, ze komen terug. Amsterdam, jouw schoonheid kan een mensenhart de vorm van een boemerang geven."

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns hier terug.

james@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden