Femke van der Laan Beeld Agata Nowicka

Alsof de fiets van Kuifje gestolen is. Of die van Suske

Plus Femke van der Laan

De jongste zit bij me achterop. We fietsen door de stad. Met zijn wijsvinger schrijft hij letters op mijn rug. Ik moet raden welke woorden het zijn. Op papier heb ik al moeite met zijn handschrift. Daar is de letter E zo smal dat het ook een wat klein uitgevallen L zou kunnen zijn. Zijn D’s lijken meer op muzieknoten. Nu moet ik het doen met een vinger die over mijn rug beweegt. “Nog een keer,” zeg ik steeds. Of: “Langzamer.” Af en toe ook: “Benen wijd.” Dan voel ik hem even bewegen, zijn ­voeten weg van de spaken.

Zijn fiets is gestolen. Vorige week. Voor de deur gooide hij hem op de stoep om nog even een vriendje achterna te rennen. De bocht om. Toen hij drie minuten later ­terugkwam, was zijn fiets weg. De verbazing hangt nog steeds om hem heen. Vraagtekens rond zijn hoofd, in de lucht, alsof hij uit een stripboek komt. Alsof de fiets van Kuifje gestolen is. Of die van Suske.

“Wat staat er?”

Ik dacht dat hij op weg was het woord ‘kokosnoot’ te spellen, maar de laatste letter die ik voelde was duidelijk een S.

“Ik weet het niet. Doe maar nog een keer. Langzamer.”

De vinger begint weer. Hij trekt een lijn naar beneden. Het stokje van de letter. Van mijn linkerschouderblad naar mijn heup. Dan tilt hij zijn vinger even op en zet hem neer op de helft van het stokje. Vanaf daar maakt hij een beweging naar rechts. Het kan inderdaad een K zijn. Of een H. Een B. De letter N kan bij hem ook een lange stok hebben. Ik ben het nu al kwijt.

“Wacht even. Doe die eerste nog eens.”

Ik voel zijn hoofd tegen mijn rug. Alsof hij zijn wang op het tafelblad legt. “Laat maar.”

Hij had altijd gedacht dat kinderfietsen niet gestolen werden. Hij zette zijn fiets op slot omdat het moest van mij. Van zijn moeder, die zich er niet van bewust was dat kinderfietsen niet gestolen werden. Een volwassene die nou eenmaal niet beter wist. Het was het woord dat steeds weer terugkwam vorige week: ‘kinderfiets’.

Ik voel zijn vinger weer bewegen. Naast zijn hoofd, op het tafelblad. Een half rondje, eindigend in een streepje naar beneden. Daaronder een punt. En dan nog een keer dezelfde beweging. En weer. En nog eens. Half rondje, streepje, punt. De rechterkant van mijn rug raakt bezaaid met vraagtekens.

Ik breng mijn hand naar achter, tussen de jongste en mij in. Op zijn borst zet ik een streep. Daaronder komt een punt. En nog een. En weer. Streep, punt, streep.

“Uitroepteken.”

Punt.

“Goed zo.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden