Roos Schlikker Beeld Lin Woldendorp
Roos SchlikkerBeeld Lin Woldendorp

Als je alles verliest, weet je wat je hebt

PlusRoos Schlikker

Roos Schlikker

Weinig ziet er zo hulpeloos uit als een wielrenner die tegen het asfalt is gesmakt. Het lichaam in foetushouding, schouders vertrokken, helm scheef op het hoofd. Ernaast de fiets, met een ketting die naratelt.

Man, wat heb ik vaak dat ene telefoontje gekregen. Mijn pa. Zijn stem rustig. Te rustig. Zo rustig dat ik wist: hier zit paniek die coûte que coûte onder het deksel gehouden moet worden. “Schatje, je moet niet schrikken, hoor, maar...”

Even later zag ik hem dan. Zijn dijbeen, schouder en elleboog totaal ontveld. De andere keer zeven ribben gebroken (‘Een rijtje!’). Of pontificaal achter zijn werkbureau met een gezicht dat bij elkaar gehouden werd door gaas en verband. Dummie de mummie was er een kleine jongen bij. Tussen de plaksels door zag ik een scheve grijns. Tja. Gevallen.

Dat haat en liefde net zo aan elkaar gekleefd zitten als pleisters en huid, voelde ik op die momenten goed. Want wat haatte ik het eeuwige risico dat hij nam op die achterlijk dunne bandjes. En wat hield ik van hem. Met zijn tijdelijke manke loop. En zijn montere “Volgende week fiets ik weer!” Dat zei hij niet eens om me gerust te stellen. Hij meende het.

Want dat is wat fietsers doen. Ze vallen. En ze staan op. Was het daarom dat het me ontroerde dat Fabio Jakobsen en Dylan Groenewegen een touretappe wonnen? Iedereen kent het verhaal. In 2020, tijdens een sprint in de Ronde van Polen, maakte Groenewegen een monsterfout. Hij week af van zijn lijn, waarna Jakobsen de hekken in vloog. Hij brak alle botten van zijn gezicht, zijn verhemelte en luchtpijp waren verbrijzeld.

Dat hij weer fietst, is een wonder. Dat zijn rivaal, die een maandenlange schorsing kreeg, ook weer het peloton in dorst eveneens. De onderlinge verhoudingen zijn nooit goed gekomen. Maar ze stapten wel weer op. Ondanks eindeloze operaties. En ondanks wellicht een Mont Ventoux aan schuldgevoel.

Je kunt zeggen: gekkenwerk. Maar ik noem het lust. Lust om de wind door je wielen te horen ruizen, om het gesuis in je bloed te doen ontstaan dat nog uren aanhoudt nadat je een sportprestatie hebt geleverd. Gesuis dat je uit je slaap houdt. Maar ook voorkomt dat je indut.

Weinig ziet er zo hulpeloos uit als een wielrenner die tegen het asfalt is gesmakt. Weinig inspireert zo als degenen die weer opstaan.

Toen mijn vader op de IC lag met die gebroken ribben, mocht hij van de fysio voorzichtig wat bewegen. Tien minuten later schuifelde hij met zijn infuus rondjes over de afdeling. Zijn lach schalde door de gang. “Volgende week fiets ik weer!”

Na zijn winst sprak Jakobsen over zijn familie die hem zo gesteund had. Hij was intens dankbaar. “Als je alles verliest, weet je wat je hebt.” Inderdaad. De mensen van wie je houdt. En de lust tot leven. Toen de interviewer vroeg: “Wat gaan we morgen doen?”, was het lachende antwoord overduidelijk. “Weer sprinten.”

Want dat is wat fietsers doen. Als het kan, stappen ze altijd weer op.

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken. Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Reageren? r.schlikker@parool.nl.

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden